Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
08-1583 WAO + 08-1584 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO en WW-uitkering. Geen gronden tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het WAO-besluit. Geen onderbouwing met betrekking tot het WW-besluit van de gestelde beschikbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1583 WAO + 08/1584 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage van 24 januari 2008, 06/7891 WAO en 06/9981 WW (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv aan de Raad ter kennisneming toegezonden de stukken die betrekking hebben op het besluit van 29 augustus 2006 inzake de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij brief van 28 juli 2008 is mr. Van Berkel voornoemd uitgenodigd de gronden van het hoger beroep te onderbouwen. Op dit verzoek is geen reactie gekomen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in deze gedingen aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de WAO en de WW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit op bezwaar van 29 augustus 2006 inzake de WAO gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was met dit besluit geen ander rechtsgevolg beoogd dan reeds was vastgelegd in het besluit van 27 februari 2006 waarbij de aan appellante toegekende WAO-uitkering per 21 april 2006 was ingetrokken. De rechtbank heeft daarbij tevens beslissingen gegeven omtrent de proceskosten en het griffierecht.

2.2. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit op bezwaar van 5 november 2006 uitvoerig gemotiveerd ongegrond verklaard. Bij dat besluit was het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2006, waarbij appellante WW-uitkering was ontzegd per 21 april 2006 op de grond dat zij niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, ongegrond verklaard.

3. Het oordeel van de Raad.

3.1. Namens appellante is in hoger beroep betoogd dat zij niet in staat was tot het verrichten van werkzaamheden in bepaalde functies. Daarop had het besluit op bezwaar van 29 augustus 2006, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2006 ongegrond is verklaard, betrekking. Over dat besluit op bezwaar heeft (de voorzieningen-rechter van) de rechtbank bij uitspraak van 9 november 2006 reeds beslist, zoals ook in de thans aangevallen uitspraak is vermeld. Het hoger beroepschrift bevat geen gronden tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2006.

3.2. Namens appellante is in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank over het WW-besluit aangevoerd dat zij wel degelijk beschikbaar was.

3.3. Bij de in rubriek I genoemde brief van 28 juli 2008 is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat het hoger beroepschrift geen gronden bevatte tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het WAO-besluit en dat het beroepschrift met betrekking tot het WW-besluit geen onderbouwing van de gestelde beschikbaarheid per 21 april 2006 bevatte. De Raad constateert dat een reactie achterwege is gebleven.

3.4. De Raad kan zich ten aanzien van het hoger beroep met betrekking tot de WAO-beslissing verenigen met het oordeel van de rechtbank en hetgeen de rechtbank daartoe heeft vastgesteld en overwogen. De Raad volstaat er dan ook mee om naar de aangevallen uitspraak te verwijzen.

3.5. Uit de enkele stelling van appellante ten aanzien van haar beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden, welke stelling zonder enige nadere onderbouwing is gebleven, kan de Raad niet afleiden dat het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bestreden besluit aangaande de WW-uitkering onjuist is geweest.

4.1. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.

(get) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW