Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
07-6333 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering ten gevolge van een herbeoordeling in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit.

Juistheid medische en arbeidskundige grondslag. Geschiktheid geselecteerde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6333 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 3 oktober 2007, 07/192 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2009.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schyns. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als verkoopster toen zij op 12 januari 1994 uitviel ten gevolge van whiplashklachten na een verkeersongeval.

Een rechtsvoorganger van het Uwv heeft, in aansluiting op het volmaken van de wachttijd, met ingang van 11 januari 1995 aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Sinds 10 juni 1997 is deze uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. De verzekeringsarts J. Verhoeven heeft appellante op 28 oktober 2005 onderzocht voor een herbeoordeling in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit. In het rapport van dit onderzoek van 16 februari 2006 zijn nek-, schouder- en maagklachten beschreven. Verhoeven heeft, na ontvangst van informatie van de huisarts, de mogelijkheden en beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 maart 2006.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J.M. Tulmans in een rapport van 5 juli 2006, na functieduiding, het verlies aan verdienvermogen berekend en vastgesteld op minder dan 15%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 13 juli 2006 met ingang van 14 september 2006 de WAO-uitkering ingetrokken.

2.1. In de bezwaarprocedure heeft verzekeringsarts T.P.M. Grubben uit zorgvuldigheidsoverwegingen opnieuw een medisch onderzoek verricht. Op 6 oktober 2006 heeft zij een FML opgesteld.

Vervolgens heeft arbeidsdeskundige Tulmans opnieuw het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en de conclusie dat er sprake is van een verlies aan verdienvermogen van minder dan 15% gehandhaafd.

De FML is op 30 oktober 2006 door verzekeringsarts Grubben op enkele punten aangepast doch dit had geen gevolgen voor de functieduiding en de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen heeft op 13 december 2006 gerapporteerd. Deze arts heeft de beschikbare medische gegevens gewogen en geen aanleiding gezien af te wijken van het medisch oordeel van de verzekeringsarts en de arbeidsmogelijkheden zoals die zijn weergegeven in de FML van 30 oktober 2006.

De bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten heeft gesteld dat er geen aanleiding is om op arbeidskundige gronden tot een ander oordeel te komen. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juli 2006 bij zijn besluit van 3 januari 2007 (verder: het bestreden besluit) ongegrond.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank onderschreef – kort gezegd – de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij meer beperkt is dan in de FML is vastgelegd. Appellante heeft erop gewezen dat zij reeds jaren lichamelijke klachten ondervindt en dat haar medische situatie steeds verder achteruit gaat. Zij is van mening dat zij haar mogelijkheden niet duurzaam kan benutten. Verder stelt appellante dat de functies wat betreft de aspecten lichamelijke belasting, concentratie, aandacht verdelen en herinneren niet binnen de belastbaarheid blijven.

5.1. De Raad overweegt dat het hoger beroep van appellante slechts gericht is tegen het bestreden besluit voor zover het de intrekking van de WAO-uitkering per 14 september 2006 betreft. Ter zitting van de Raad is namens appellante, desgevraagd, gesteld dat het hoger beroep niet is gericht tegen de bij het bestreden besluit eveneens gehandhaafde re-integratievisie zoals neergelegd in het besluit van 14 juli 2006.

5.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit te komen dan de rechtbank. De Raad is, net als de rechtbank, van oordeel dat de beperkingen van appellante door middel van een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. Uit alle beschikbare medische informatie zijn geen gegevens naar voren gekomen die aanleiding geven voor de conclusie dat appellante op de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. De in hoger beroep ingediende informatie van internist A.J.M. Rennings van 13 mei 2008 en 4 juli 2008 betreffende de neiging tot flauwvallen en de hyperventilatieklachten geeft daarvoor geen aanleiding, aangezien deze informatie niet ziet op de in geding zijnde datum. De Raad onderschrijft de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 14 juli 2008 waarin zij stelt dat deze klachten pas sinds eind 2007 spelen en daarom geen invloed hebben op de onderhavige beslissing.

5.3. Aldus ervan uitgaande dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is te achten, heeft de Raad evenmin grond om de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies niet passend te achten.

6.1. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient dan ook te worden bevestigd.

6.2. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) R. Benza.

JL