Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
07/2392 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om een WAZ-uitkering niet in behandeling genomen door het Uwv omdat betrokkene niet de verlangde informatie heeft toegezonden. Is het Uwv terecht niet terug gekomen van zijn eerder genomen beslissing? De Raad is van oordeel dat met het bestreden besluit geen juiste toepassing is gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, omdat met het besluit van 13 juni 2005 de aanvraag om een WAZ-uitkering niet is afgewezen maar met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling is gesteld. In zoverre naar dit besluit wordt verwezen is er geen sprake van een eerder afwijzend besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 294 met annotatie van R. Ortlep
USZ 2009/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2392 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 maart 2007, 06/3001 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft in verband met bij hem op 24 november 2003 ingetreden arbeidsongeschiktheid op 3 augustus 2004 bij het Uwv een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend. Bij beslissing van 13 juni 2005 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat diens aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen, omdat appellant niet de verlangde informatie heeft ingezonden. Appellant heeft tegen deze beslissing geen bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft appellant, onder meer bij brief van 21 maart 2006, nadere gegevens aan het Uwv verstrekt en verzocht om afhandeling van zijn aanvraag om een WAZ-uitkering. Bij besluit van 20 april 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld niet terug te komen van de beslissing van 13 juni 2005, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden.

2. Bij besluit van 27 juni 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 20 april 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het besluit van 13 juni 2005 rechtens onaantastbaar is geworden. Onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad inzake het terugkomen door een bestuursorgaan van een eerder genomen besluit stelt zij vast dat alle door appellant nader overgelegde gegevens feiten of omstandigheden betreffen die reeds ten tijde van het besluit van 13 juni 2005 bekend waren. De rechtbank is van oordeel dat de door appellant overgelegde stukken niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of omstandigheden waarin het Uwv aanleiding had behoren te vinden terug te komen van het besluit van 13 juni 2005. Ten aanzien van de door appellant gestelde schending van het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat appellant aan de omstandigheid dat het Uwv de door appellant overgelegde stukken na het besluit van 13 juni 2005 in ontvangst heeft genomen, op zichzelf niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zijn aanvraag alsnog behandeld zou worden. Voorts acht de rechtbank het onaannemelijk dat het besluit van 13 juni 2005 appellant niet bereikt heeft. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het Uwv, gelet op artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in bezwaar van het horen heeft kunnen afzien, nu er naar objectieve maatstaven bezien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit zou kunnen leiden.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Het bestreden besluit berust op de toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

5.2. De Raad is, mede onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 april 2006 (LJN AW2405), van oordeel dat met het bestreden besluit geen juiste toepassing is gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, omdat met het besluit van 13 juni 2005 de aanvraag van appellant om een WAZ-uitkering niet is afgewezen maar met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling is gesteld. In zoverre naar dit besluit wordt verwezen is geen sprake van een eerder afwijzend besluit.

5.3. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 4:6, tweede lid, van de Awb niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 april 2006.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het besluit van 20 april 2006 met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL