Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
07-3974 WWB + 07-3975 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezit van onroerend goed in het buitenland. De Raad volgt het College en de rechtbank in hun oordeel dat appellanten ten tijde van hun aanvraag om bijstand en in de daarop volgende periode (...) geen eenduidige, onvolledige en deels ook onjuiste inlichtingen aan het College hebben verstrekt. Daarmee hebben zij de (...)op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Volgens vaste rechtspraak biedt een dergelijke schending grondslag voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3974 WWB

07/3975 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te Almelo (hierna: appellante), en de erven van [appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 29 mei 2007, 07/181 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.P. Smit, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant is op 14 februari 2008 overleden. Mr. Smit heeft de Raad laten weten dat de erven van appellant de procedure voortzetten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2009. Appellante en de erven van appellant zijn, zoals vooraf aan de Raad bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Botter, werkzaam bij de gemeente Almelo.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellanten is, overeenkomstig hun aanvraag, vanaf 12 oktober 2004 in aanvulling op hun AOW-pensioen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend. In verband met volgens het College niet eenduidige inlichtingen van appellanten - ten tijde van de behandeling van de aanvraag - over het bezit van een woning in Turkije, heeft het College een vermogensonderzoek in dat land doen instellen. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een vanwege de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Ankara opgemaakt rapport van 26 juli 2005. Daarin is vermeld dat appellant bij de betrokken gemeente belastingaangifte heeft gedaan voor een woning en een perceel bouwgrond, en dat appellante een dergelijke aangifte heeft gedaan voor een perceel bouwgrond. Voorts is in het rapport vermeld dat een ingeschakelde makelaar de waarde van de onroerende zaken heeft getaxeerd op in totaal € 33.590,--. Deze bevindingen hebben het College ertoe gebracht een vervolgonderzoek in te stellen en de betaling van de bijstand met ingang van 1 oktober 2005 te blokkeren.

1.2. Tijdens het vervolgonderzoek is onder meer appellant door de sociale recherche verhoord. Appellant heeft bij die gelegenheid erkend dat hij, samen met zijn broer, eigenaar is van een woning en verklaard dat hij en appelante weliswaar elk een stuk grond in eigendom hebben gehad, maar dat deze percelen in 2004 zijn verkocht.

1.3. Bij besluit van 21 juni 2006 heeft het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellanten met ingang van 12 oktober 2004 ingetrokken op de grond dat zij vanaf die datum de beschikking hebben gehad over vermogen in Turkije en dat zij daarover geen correcte en volledige inlichtingen hebben verstrekt. Tevens heeft het College de over de periode van 12 oktober 2004 tot - naar de Raad uit de gedingstukken afleidt - 1 oktober 2005 ten behoeve van appellanten gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.269,67 van hen teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2006 ongegrond verklaard. Daarbij is de grondslag van de intrekking gewijzigd. Het College is van oordeel dat door de schending van de inlichtingenverplichting (de omvang van) het vermogen niet is te bepalen, zodat niet (meer) kan worden vastgesteld of bij appellanten sprake is geweest van bijstandbehoevende omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 21 december 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de rapportage van de ambassade van 26 juli 2005 en de daarbij gevoegde bijlagen onvoldoende aanknopingspunten bieden om vast te stellen wat de waarde van de onroerende zaken ten tijde in geding was. De rechtbank heeft voorts de in het besluit op bezwaar neergelegde grondslag voor de intrekking en de terugvordering onderschreven.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak loopt - wat de intrekking betreft - de in dit geding door de Raad te beoordelen periode van 12 oktober 2004 tot en met de datum van het primaire besluit (21 juni 2006).

4.2. In hoger beroep is niet in geschil dat appellanten ten tijde van belang een woning in Turkije in eigendom hadden. Nu het College geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de door appellanten bestreden uitspraak, moet als vaststaand worden aangenomen dat de in opdracht van de ambassade verrichte taxatie van de woning niet kan dienen als uitgangspunt voor de vaststelling van de waarde van deze woning. Ten aanzien van het door appellanten in hoger beroep overgelegde taxatierapport komt de Raad evenwel tot eenzelfde oordeel. Het gaat immers om een uiterst summier rapport, waarin geen melding is gemaakt van de afmetingen, de ligging en het gebruik van de woning, en evenmin van de door de taxateur gehanteerde maatstaven. Daarbij komt dat de taxatie dateert van 20 augustus 2008, derhalve ruim na de in geding zijnde periode, terwijl de waarde ook per die datum is bepaald. Er zijn geen andere gegevens voorhanden aan de hand waarvan de waarde van de woning ten tijde in geding kan worden vastgesteld.

4.3. Verder staat tussen partijen vast dat appellanten ieder een perceel bouwgrond in Turkije in eigendom hebben gehad. Appellanten hebben gesteld dat beide percelen al voor de aanvang van de verlening van de bijstand zijn verkocht. Zij hebben evenwel geen enkel bewijsstuk ter onderbouwing van die stelling overgelegd. Het lag naar het oordeel van de Raad op hun weg bewijs van de overdracht van deze eigendommen te leveren, mede in aanmerking genomen dat bij de rapportage van 26 juli 2005 van de ambassade stukken zijn gevoegd waaruit blijkt dat appellanten bij de betrokken gemeente nog belastingaangifte voor deze percelen hebben gedaan. Op basis van de beschikbare gedingstukken kan, ervan uitgaande dat de percelen nog aan appellanten toebehoorden, niet worden vastgesteld wat de waarde van deze percelen tijdens de hier relevante periode was.

4.4. De Raad volgt het College en de rechtbank in hun oordeel dat appellanten ten tijde van hun aanvraag om bijstand en in de daarop volgende periode (tot en met 21 juni 2006) geen eenduidige, onvolledige en deels ook onjuiste inlichtingen aan het College hebben verstrekt. Daarmee hebben zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Volgens vaste rechtspraak biedt een dergelijke schending grondslag voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen doet die situatie zich hier voor.

4.5. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellanten met ingang van 12 oktober 2004 in te trekken. Het College was tevens bevoegd de over de periode van 12 oktober 2004 tot en met 30 september 2005 ten behoeve van appellanten gemaakte kosten van bijstand van hen terug te vorderen.

4.6. Het College heeft gehandeld overeenkomstig zijn, door de Raad niet onredelijke geachte, beleidsregel ter zake van intrekking en terugvordering. De Raad ziet in hetgeen door appellanten is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de beleidsregel had behoren af te wijken.

4.7. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA