Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
07-5624 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanwege het Uwv is zorgvuldig geweest. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen. Als opleidingseis voor de functie productiemedewerker industrie wordt voltooid basisonderwijs gevraagd. Nu appellante herhaaldelijk heeft gesteld hierover niet te beschikken en deze beroepsgrond niet door de (bezwaar)arbeidsdeskundigen afdoende is weerlegd, kan deze functie niet aan de schatting ten grondslag gelegd worden. Dit betekent dat aan de schatting minder dan drie functies ten grondslag liggen, waardoor het bestreden besluit een voldoende arbeidskundige grondslag ontbeert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5624 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 september 2007, 06/6642 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2009, waar appellante is verschenen samen met mr. Samama, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Appellante is als gevolg van klachten van het bewegingsapparaat en psychische klachten vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet uitgevallen en ontvangt vanaf einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Naar aanleiding van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 december 2005 de WAO-uitkering met ingang van 23 februari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.4. Naar aanleiding van het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsgeneeskundig alsmede een bezwaararbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Gelet op de uitkomsten van deze onderzoeken is bij besluit van 19 juli 2006 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep zijn namens appellante de beroepsgronden herhaald met betrekking tot de vastgestelde belastbaarheid en de geschiktheid om de geduide functies te vervullen. Door appellante is herhaald dat zij het basisonderwijs in Turkije niet heeft afgerond en dat zij niet in staat is om eenvoudige instructies te lezen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanwege het Uwv zorgvuldig is geweest en ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen. In dit verband onderschrijft de Raad de in hoger beroep gegeven toelichting op de verborgen beperkingen.

4.3. Voor wat betreft de arbeidskundige aspecten van onderhavige schatting, stelt de Raad vast dat als opleidingseis voor de functie productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) voltooid basisonderwijs wordt gevraagd. Nu appellante herhaaldelijk heeft gesteld hierover niet te beschikken en deze beroepsgrond niet door de (bezwaar)arbeidsdeskundigen afdoende is weerlegd, kan deze functie naar het oordeel van de Raad niet aan de schatting ten grondslag gelegd worden. Dit betekent dat aan de schatting minder dan drie functies ten grondslag liggen, waardoor het bestreden besluit een voldoende arbeidskundige grondslag ontbeert.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het inleidende beroep is gegrond en het bestreden besluit kan niet in stand blijven.

4.5. Gezien het voorgaande, berust ook het primaire besluit van 22 december 2005 op een onjuiste (arbeidskundige) grondslag. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door dit besluit te herroepen. De WAO-uitkering loopt dusdoende per datum in geding, zijnde 23 februari 2006, ongewijzigd door naar een mate van ongeschiktheid van 80 tot 100%.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 juli 2006;

Herroept het besluit van 22 december 2005;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep, tot een bedrag groot € 1.932,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

JL