Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
06-6125 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning kinderbijslag met terugwerkende kracht. Nu een daad van veiligstellen heeft plaatsgevonden meer dan vijf jaar voor de definitieve aanvraag om kinderbijslag na de toekenning van de WAO-uitkering, is sprake van zodanig bijzondere omstandigheden dat die de Svb aanleiding hadden moeten geven met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van zijn beleid. Een eventuele toekenning van kinderbijslag vanaf het kwartaal waarin de eerste daad van veiligstellen is verricht zou Raads toetsing kunnen doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6125 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2006, 04/6623 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 16 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Kaouass, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2009. Namens appellant is daarbij verschenen mr. Kaouass, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, in het bezit van de Marokkaanse nationaliteit, heeft in Nederland gewerkt en heeft vervolgens in de periode van 2 januari 1991 tot 2 januari 1992 een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen. In 1992 is hij geremigreerd naar Marokko. Vervolgens heeft hij verzocht om in aanmerking gebracht te worden voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Appellant heeft tot het tweede kwartaal in 1992 kinderbijslag ontvangen ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Na de beëindiging van de betaling van kinderbijslag heeft appellant in 1993 en 1997 verzocht om weer in aanmerking te worden gebracht voor kinderbijslag. De Svb heeft op die verzoeken afwijzend beslist, omdat appellant toen niet verzekerd was krachtens de AKW. In 1993 heeft de Svb van het GAK vernomen dat nog een onderzoek liep naar de aanspraak van appellant op een WAO-uitkering.

1.3. Op 7 mei 2003 heeft appellant de Svb verzocht om herziening van het recht op kinderbijslag, omdat inmiddels een WAO-uitkering aan hem was toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 35% en hij dus vanaf 1992 weer verzekerd was krachtens de AKW. Bij besluit van 12 juli 2004 heeft de Svb met ingang van het tweede kwartaal van 1998 kinderbijslag aan appellant toegekend voor zijn kinderen.

1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, waarbij hij heeft aangevoerd dat hij al vanaf 1992 aanvragen om kinderbijslag heeft ingediend. Hij heeft verzocht om toekenning van kinderbijslag vanaf 1992.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 18 november 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij de Svb al in het tweede kwartaal van 1992 op de hoogte heeft gebracht van zijn mogelijke aanspraken op een WAO-uitkering. Appellant stelt dat er geen bijzondere feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan het recht op kinderbijslag met slechts vijf jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend.

4.1 De Raad overweegt het volgende.

4.2. De Raad stelt vast dat erkend wordt door de Svb dat bij de Svb al in 1993 bekend was dat appellant een WAO-aanvraag had ingediend.

4.3. Tussen partijen is in geschil of de Svb de toekenning van kinderbijslag met terugwerkende kracht aan appellant terecht heeft beperkt tot de periode van vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag van mei 2003.

4.4. De Raad stelt allereerst vast dat in gevallen als het onderhavige, waarin eerst met terugwerkende kracht een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend en die toekenning ertoe leidt dat de betrokkene alsnog met terugwerkende kracht verzekerd is ingevolge de volksverzekeringen, wat betreft de aanvraag om kinderbijslag met terugwerkende kracht sprake is van twee - veelal beide aan de orde zijnde - juridisch relevante aspecten. Enerzijds is sprake van een verzoek om terug te komen van de weigering van kinderbijslag over kwartalen waarover de Svb een zodanig besluit heeft gegeven. Er is dan sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de toekenning van de WAO-uitkering vormt een nieuw feit op grond waarvan de Svb bevoegd is terug te komen van de eerdere weigering van kinderbijslag. Anderzijds is, ten aanzien van kwartalen waarover nog geen besluit over de aanspraak op kinderbijslag is genomen door de Svb, sprake van een (eerste) aanvraag om kinderbijslag. Ten aanzien van zo’n aanvraag is in artikel 14, derde lid, van de AKW bepaald dat het recht op kinderbijslag niet vroeger kan ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend. De Svb is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de termijn van één jaar.

4.5. Voor zover sprake is van een aanvraag om kinderbijslag geeft de Svb in gevallen als het onderhavige aan het begrip bijzonder geval invulling door een dergelijk geval aan te nemen wanneer de betrokkene zijn aanspraken op kinderbijslag al eerder op enigerlei wijze heeft veiliggesteld. Van “veiligstellen” is volgens de Svb sprake als vóór het tijdstip van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering een aanvraag is ingediend en betrokkene voldoende moeite heeft gedaan de Svb in het kader van de aanvraag, of van een eventuele bezwaar- of beroepsprocedure te informeren over de mogelijke toekomstige aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ten aanzien van de mate van terugwerkende kracht wordt door de Svb niet getoetst aan hardheid en wordt een maximale terugwerkende kracht van vijf jaar gehanteerd. Bij het bepalen van deze termijn heeft de Svb aansluiting gezocht bij de verjaringstermijn bedoeld in artikel 3:308 van het Burgerlijk Wetboek.

4.6. Voor zover sprake is van een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit hanteert de Svb als beleid dat indien sprake is van gewijzigde omstandigheden aangesloten wordt bij het hiervoor beschreven beleid ten aanzien van “bijzonder geval” als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de AKW. Ook in gevallen waarin sprake is van een eerder genomen onjuist besluit als gevolg van een fout van de Svb of een derde hanteert de Svb het beleid dat onder omstandigheden met volledige terugwerkende kracht teruggekomen kan worden van een eerder besluit, zij het met een maximum duur van vijf jaar.

4.7. De Raad stelt vast dat uit het hiervoor vermelde beleid van de Svb voortvloeit dat niet van belang is of ten aanzien van de in geschil zijnde kwartalen sprake is van een eerste aanvraag of van een verzoek om terug te komen van een eerdere weigering van kinderbijslag, omdat in beide gevallen de mate van terugwerkende kracht is beperkt tot vijf jaar. In overeenstemming met dit beleid heeft de Svb bij het bestreden besluit de toekenning van kinderbijslag beperkt tot vijf jaar voorafgaand aan het tweede kwartaal van 2003.

4.8. In dit geding ziet de Raad zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Svb met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken.

4.9. De Raad stelt voorop dat de Svb aanvankelijk terecht kinderbijslag heeft geweigerd, omdat appellant na zijn remigratie naar Marokko geen Nederlandse uitkering meer ontving en hij als gevolg daarvan niet meer verzekerd was krachtens de volksverzekeringen. Na de toekenning van de WAO-uitkering werd appellant echter, op grond van de toen geldende wetgeving, weer verzekerd krachtens de volksverzekeringen vanaf de datum van toekenning, in dit geval vanaf het tweede kwartaal van 1992. In gevallen als het onderhavige heeft het voor betrokkenen in het algemeen weinig zin te procederen tegen de weigering van kinderbijslag, omdat eerst na de beslissing op de aanvraag om de WAO-uitkering, of na een eventuele procedure over de aanspraak daarop, kan worden vastgesteld of sprake is van een verzekering krachtens de volksverzekeringen en een daaruit voortvloeiende aanspraak op kinderbijslag.

4.10. Het door de Svb gehanteerde uitgangspunt, dat sprake is van een bijzonder geval wanneer een betrokkene door de mededeling omtrent een lopende aanvraag of een procedure over zijn recht op een WAO-uitkering zijn rechten ten aanzien van kinderbijslag heeft veiliggesteld, zal er in het algemeen toe leiden dat betrokkenen, voor zover aan de overige voorwaarden daartoe is voldaan, alsnog kinderbijslag ontvangen over alle kwartalen waarin onduidelijkheid heeft bestaan over hun verzekering krachtens de volksverzekeringen. Doorgaans zal immers in ieder geval binnen vijf jaar besloten zijn op een aanvraag om een WAO-uitkering en ook een belangrijk deel van eventueel noodzakelijk procedures zal binnen die termijn afgerond kunnen zijn.

4.11. Ten aanzien van aanvragen om een arbeidsongeschiktheidsuitkering van personen die inmiddels in Marokko wonen is echter, naar de Raad ook uit diverse andere procedures is gebleken, veelal sprake van een situatie waarin vaak vele jaren verstrijken voordat een besluit wordt genomen. Daargelaten de achtergronden van deze situatie en het feit dat de Svb ter zake geen verwijt treft, moet de Raad vaststellen dat de beperking van de terugwerkende kracht van de toekenning van kinderbijslag tot vijf jaar, ertoe leidt dat personen als appellant over soms vele jaren hun aanspraak op kinderbijslag verliezen, zonder dat het redelijkerwijs in hun macht lag hierop invloed uit te oefenen.

4.12. Verder acht de Raad van belang dat het voor personen als appellant, die hun recht op kinderbijslag hebben veiliggesteld op de hiervoor beschreven wijze, niet in de rede ligt aansluiting te zoeken bij de door de Svb genoemde verjaringstermijn. Zij hebben immers door hun daad van “veiligstellen” al kenbaar gemaakt een potentieel recht op kinderbijslag te hebben en hebben daarmee een handeling verricht die, in het verlengde van de benadering van de Svb, aangeduid zou kunnen worden als een vorm van stuiting van de verjaring.

4.13. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat voor zover een daad van veiligstellen heeft plaatsgevonden meer dan vijf jaar voor de definitieve aanvraag om kinderbijslag na de toekenning van de WAO-uitkering, sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat die de Svb aanleiding hadden moeten geven met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van zijn beleid.

4.14. Dit betekent dat het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Svb dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene. Daarbij dient de Svb nader vast te stellen op welk moment appellant voor het eerst een daad van “veiligstellen” heeft verricht. Tevens merkt de Raad, geheel ten overvloede, nog op dat een eventuele toekenning van kinderbijslag vanaf het kwartaal waarin de eerste daad van veiligstellen is verricht, voor zover althans gelegen voor het tweede kwartaal van 1998, ’s Raads toetsing zou kunnen doorstaan.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1288,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 142,- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

NW