Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1233

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
07-1948 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad overweegt, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie terzake, dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak zonder zitting af te doen. Ook het maken van nadere opmerkingen bij de toestemming om de zaak zonder zitting af te doen, verdraagt zich niet met het systeem van artikel 8:57 van de Awb. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van voornoemde opmerkingen of gegevens te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. Dit laatste is in het onderhavige geval niet gebeurd. Geen aanleiding om de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Awb niet rechtsgeldig tot stand gekomen, te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1948 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 februari 2007, 05/4811 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Bogaardt, advocaat te Wassenaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts M. Keus van 31 mei 2007.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv een rapport van 2 september 2008 van bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon ingestuurd, met daarbij een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van diezelfde datum, een arbeidsmogelijkhedenlijst en een nieuwe uitdraai van het Resultaat Functiebeoordeling.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 februari 2009. Appellante is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Boogaardt voornoemd. Namens het Uwv is verschenen A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als fulltime tuinbouwmedewerkster. Op 23 januari 2003 heeft zij zich voor die werkzaamheden ziek gemeld wegens psychische klachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellante met ingang van 21 januari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsarts A.A.C. Hordijk appellante onderzocht tijdens een spreekuurcontact. In haar rapport van 7 maart 2005, heeft Hordijk onder verwijzing naar de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van diezelfde datum, geconcludeerd dat appellante beperkt is wat betreft persoonlijk en sociaal functioneren. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige C.J. Perizonius in een rapport van 7 april 2005 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit berekend op nihil. Tevens achtte Perizonius appellante geschikt voor haar maatmanfunctie van tuinbouwmedewerkster. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 12 april 2005 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 8 juni 2005 ingetrokken.

1.4. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts Keus. Deze verzekeringsarts, die bij de hoorzitting aanwezig is geweest en dossierstudie heeft verricht, heeft in het rapport van 1 juni 2005 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire medische oordeel. Bij besluit van 13 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 april 2005 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft psychiater M. Kazemier als deskundige benoemd. Deze heeft op 14 november 2006 gerapporteerd. Kazemier heeft geconcludeerd dat er bij appellante op 8 juni 2005 sprake was van een gegeneraliseerde angststoornis. Kazemier kan zich niet volledig vinden in de FML van 7 maart 2005. Voor het persoonlijk functioneren in arbeid is volgens Kazemier de aanwezigheid van vertrouwde collega’s en/of leidinggevenden een voorwaarde. Voorwaarde voor het sociaal functioneren is een veilige omgeving. De functies van postbesteller en medewerker bibliotheek zijn hierdoor niet haalbaar volgens de deskundige. De overige, dus ook de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, acht Kazemier wel geschikt.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige voor onjuist te houden. De rechtbank acht de FML van 7 maart 2005 aangepast op de door de deskundige genoemde items. Met inachtneming van deze aanpassing is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank, mede gelet op het arbeidskundige rapport van 7 april 2005, geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante ongeschikt te achten. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante is van mening dat haar beperkingen zijn onderschat. In dit verband verwijst appellante naar het feit dat zij voor de Wet werk en bijstand is vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Tevens is door de door de rechtbank ingeschakelde deskundige geen rekening gehouden met de hoofdpijn en paniekaanvallen van appellante.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.1. De Raad ziet aanleiding eerst ambtshalve het volgende te overwegen. De rechtbank heeft bij brieven van 27 juni 2006 partijen om toestemming verzocht een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv heeft deze toestemming verleend bij brief van 29 juni 2006. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en Kazemier als deskundige benoemd. Nadat partijen op het deskundigenrapport hadden gereageerd, heeft appellante bij brief van 20 december 2006 voornoemde toestemming gegeven. Bij brief van 21 december 2006 heeft het Uwv deze opnieuw gegeven. In deze brief heeft het Uwv er nog op gewezen dat de door de deskundige niet geschikt geachte functies geen onderdeel uitmaken van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.

4.2.2. De Raad overweegt, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie terzake, dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak zonder zitting af te doen. Ook het maken van nadere opmerkingen bij de toestemming om de zaak zonder zitting af te doen, verdraagt zich niet met het systeem van artikel 8:57 van de Awb. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van voornoemde opmerkingen of gegevens te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. Dit laatste is in het onderhavige geval niet gebeurd. Nu de aanvulling van het Uwv in de brief van 21 december 2006 echter feitelijk geen nieuwe gegevens bevat, ziet de Raad in dit geval geen aanleiding om de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Awb niet rechtsgeldig tot stand gekomen, te vernietigen.

4.3. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden daarover een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Gelet op het rapport van 14 november 2006 van psychiater Kazemier ziet de Raad evenals de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat in beginsel het oordeel van de door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke medische deskundige dient te worden gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Daartoe overweegt de Raad dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de conclusies in zijn rapport overtuigend zijn gemotiveerd. In hetgeen namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, ziet de Raad geen aanleiding om de deskundige Kazemier niet te volgen. Voorts heeft appellante in hoger beroep geen nadere medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante heeft overschat.

4.4. De Raad ziet, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid en gelet op het deskundigenrapport van Kazemier, evenmin grond voor het oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. In dit verband merkt de Raad nog op dat, wat er ook zij van de geschiktheid voor het eigen werk, appellante geschikt te achten is voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

JL