Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1222

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
05-84 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Appellante is, gelet op haar psychische klachten en de aard, omvang en zwaarte van het werk, op de datum hier in geding, geschikt te achten voor haar eigen werkzaamheden, zoals uitvoerig door de bezwaararbeidsdeskundige omschreven en overigens niet door appellante betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/84 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2004, 01/4306 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Vaessen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vaessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

De Raad heeft het onderzoek heropend. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv een door de bezwaararbeidsdeskundige opgestelde werkbeschrijving van de twee functies van appellante overgelegd, waarin, voor zover mogelijk, ook is gerapporteerd hoe appellante in die functies heeft gefunctioneerd.

De Raad heeft de psychiater R. Tonneijck als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft op 31 augustus 2007 van zijn onderzoek verslag uitgebracht aan de Raad. Bij brief van 20 december 2007 heeft de deskundige gereageerd op het commentaar van respectievelijk appellante en het Uwv op het verslag van de deskundige.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vaessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster gedurende 13 uur per week en als keukenhulp gedurende 25 uur per week bij twee verschillende werkgevers. Zij heeft zich wegens klachten van de rechterpols en -hand ziek gemeld voor het werk als schoonmaakster op 27 oktober 1999 en voor het werk als keukenhulp op 10 januari 2000. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek in oktober 2000 is zij weer in staat geacht haar werkzaamheden gedurende in totaal 35 uur per week te verrichten. In december 2000 heeft zij het Uwv schriftelijk bericht ook psychische klachten te hebben. Het oordeel van de verzekeringsarts is bevestigd door de bezwaarverzekeringsarts, na onderzoek waarbij naast de lichamelijke klachten ook de psychische klachten zijn betrokken en kennis is genomen van inlichtingen van de behandelend revalidatiearts, psycholoog en huisarts.

2. Bij besluit op bezwaar van 29 oktober 2001 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit gehandhaafd om appellante bij het einde van de wachttijd van 52 weken geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe overwogen geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts. Deze heeft appellante zelf onderzocht en de beschikbare medische informatie van de behandelend sector meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts heeft ook onderzoek verricht en informatie bij de behandelend sector opgevraagd. De rechtbank ziet geen aanleiding om het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt voor onjuist te houden en overweegt in dit verband dat appellante in beroep niet met nieuwe medische gegevens is gekomen waaruit zou moeten blijken dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en dat zij niet tot werken in staat was.

4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de medische beoordeling niet zorgvuldig is geweest en dat geen dan wel onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten. Bij brief van 5 januari 2007 heeft appellante aanvullende stukken van de behandelend sector ingezonden betreffende psychiatrische behandelingen in 1995, 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005.

5. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

6.1. De Raad overweegt dat de deskundige Tonneijck appellante psychiatrisch heeft onderzocht, kennis heeft genomen van de gedingstukken, waaronder de diverse rapporten uit de behandelend sector, en de geschiktheid voor het eigen werk heeft beoordeeld aan de hand van de door de bezwaararbeidsdeskundige opgestelde werkbeschrijving. De deskundige concludeert in zijn rapport dat bij appellante duidelijk sprake is van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken, ook op de datum hier in geding 25 oktober 2000. Hij acht appellante op de datum in geding op grond van die stoornis niet volledig arbeidsgeschikt, maar ten minste voor 50% arbeidsongeschikt en per april 2001 volledig arbeidsongeschikt gezien de intensieve behandeling die zij toen moest volgen. Wat betreft het eigen werk van appellante zoals omschreven in de werkbeschrijving is de deskundige van mening dat daarin voldaan wordt aan de beperkingen die hij bij appellante aanwezig acht, namelijk een beperkte frustratietolerantie, een beperkte concentratie, neiging tot impulsiviteit en moeite met omgaan met relationele problematiek. Daarbij merkt de deskundige op dat het werk naar voren komt als duidelijk gestructureerd, goed afgebakend, waarbij taken en functies duidelijk zijn beschreven.

6.2. De bezwaarverzekeringsarts vindt blijkens zijn rapport van 19 september 2007 in het rapport van de deskundige een bevestiging voor het oordeel dat appellante op 25 oktober 2000 geschikt was te achten voor haar eigen werk bij haar eigen werkgevers. Daarbij neemt de bezwaarverzekeringsarts in aanmerking dat appellante voordat zij zich met lichamelijke klachten bij de werkgevers ziek meldde, respectievelijk meer dan twee jaar en ruim drie jaar werkzaam is geweest. Dat zij op 25 oktober 2000 weer in staat wordt geacht dit werk te verrichten, is volgens de bezwaarverzekeringsarts juist, gezien de eisen die in het werk aan haar worden gesteld en de bevindingen van de verzekeringsarts. Zij was geschikt voor haar werk ondanks de bij haar aanwezige persoonlijkheidsstoornis, omdat de belasting in het werk haar belastbaarheid niet overschrijdt.

6.3. Appellante signaleert in haar commentaar op het rapport van de deskundige een innerlijke tegenstrijdigheid in de antwoorden van de deskundige op de vragen. Zij is van mening dat de door de deskundige aangenomen beperkingen in een belastbaarheidspatroon opgenomen moeten worden en dat de arbeidsdeskundige aan de hand daarvan moet beoordelen of zij geschikt is voor dat werk, ook gezien de stresserende aspecten daarin.

6.4. In zijn commentaar op de reacties van partijen op zijn rapport bevestigt de deskundige in zijn brief van 20 december 2007 dat hij appellante in oktober 2000 wel in staat acht tot het verrichten van haar eigen werk, zoals beschreven in de door de arbeidsdeskundige opgestelde werkbeschrijving. Daarbij tekent hij aan dat de arbeidsdeskundige nog kan verifiëren of de beperkingen zoals door de deskundige aangegeven, te combineren vallen met het verrichten van haar eigen werk.

6.5. De Raad overweegt dat in vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling kent de Raad dan ook doorslaggevende betekenis toe aan het op verzoek van de Raad door de psychiater Tonneijck omtrent appellante uitgebrachte rapport. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel baseert op eigen onderzoek van appellante en op de in het dossier aanwezige op appellante betrekking hebbende stukken, waaronder uitgebreide informatie van de behandelende sector. De Raad volgt de deskundige dan ook in zijn overweging dat appellante, gelet op haar psychische klachten en de aard, omvang en zwaarte van het werk, op de datum hier in geding, 25 oktober 2000, geschikt was te achten voor haar eigen werkzaamheden, zoals uitvoerig door de bezwaararbeidsdeskundige omschreven en overigens niet door appellante betwist. Dit oordeel wordt voorts gemotiveerd onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts. Nader arbeidskundig onderzoek acht de Raad niet aangewezen.

6.6. De Raad merkt nog op dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de arbeidsgeschiktheid van appellante op 25 oktober 2000. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Dit zou anders kunnen zijn indien die verslechtering - achteraf - een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante ten tijde van de datum in geding. Hiervan is de Raad, gelet op het onderzoek van de deskundige, niet gebleken. Ten slotte merkt de Raad nog op dat indien appellante meent dat haar gezondheidstoestand na de datum in geding is verslechterd, zij zich tot het Uwv kan wenden met het verzoek de mate van haar arbeids(on)geschiktheid per een latere datum opnieuw te beoordelen.

6.7. Uit hetgeen onder 6.5 en 6.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook bevestigen.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

KR