Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-5888 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft achtereenvolgens twee primaire besluiten genomen die strekten tot weigering van ziekengeld per 16 januari 2006. Het eerste besluit is rechtens onaantastbaar geworden. Het tweede besluit brengt geen nieuw rechtsgevolg teweeg, nu reeds bij het eerste besluit ziekengeld per 16 januari 2006 was geweigerd. Daaraan doet niet af dat het tweede besluit op een andere rechtsgrondslag berust dan het eerste besluit. Het tweede besluit is derhalve niet op één lijn te stellen met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het daartegen gerichte bezwaar had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit 2 inhoudt toekenning van ziekengeld met ingang van 16 januari 2006 en beëindiging van het ziekengeld per 21 juni 2006. Dit besluit is dan ook een primair, op zelfstandig rechtsgevolg gericht besluit. Met toepassing van artikel 6:15 van de Awb zal de Raad dit besluit met het daartegen gerichte beroepschrift en hoger beroepschrift doorzenden aan het Uwv ter behandeling als bezwaarschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/153
BA 2009/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5888 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2007, 07/805 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A.M. Broos, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2009. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sedert 1991 werkzaam als schoonmaker in dienst van [naam werkgever] (hierna: de werkgever), laatstelijk gedurende 40 uur per week. Na enkele perioden van arbeidsongeschiktheid en – éénmalig – toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die in 1999 weer is ingetrokken, heeft hij het eigen aangepaste werk hervat. Per 24 november 2003 heeft hij zich weer ziek gemeld. Op 5 januari 2004 heeft hij voor 50% hervat in aangepast werk bij de werkgever. Na wederom een periode van uitval heeft hij de werkzaamheden met ingang van 21 juni 2004 hervat. Het Uwv heeft hem na de ziekmelding per 24 november 2003 een WAO-uitkering geweigerd omdat hij per die datum in staat werd geacht de gangbare arbeid, zoals voorgehouden in 1998, te verrichten. Tot 12 april 2005 was appellant 20 uur per week werkzaam in het aangepaste werk bij de werkgever. Met ingang van 22 november 2004 is hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend naar een arbeidsurenverlies van 20 uur per week. Daarnaast heeft het Uwv hem met ingang van 12 april 2005 een WW-uitkering toegekend voor de resterende 20 uur per week.

1.2. Per 16 januari 2006 heeft appellant zich ziek gemeld vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontving. De WW-uitkering is daarop beëindigd. Bij besluit van 20 maart 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 16 januari 2006 geen recht heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat nog sprake was van een dienstverband en de werkgever doorgaans verplicht is het loon tijdens ziekte door te betalen. De werkgever heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is bij besluit op bezwaar van 17 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de daarvoor geldende termijn.

1.3. Bij “beslissing over het recht op uitkering” van 20 juni 2006 heeft het Uwv appellant naar aanleiding van zijn aanvraag om een ZW-uitkering bericht dat hij niet als verzekerde in de zin van de ZW gold omdat na advies van de Uwv-artsen is geconstateerd dat hij ten onrechte in aanmerking kwam voor een ZW-uitkering. Daarom is de aanvraag met terugwerkende kracht afgewezen. Bij besluit van 24 januari 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juni 2006 ongegrond verklaard, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 3 juli 2007 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel het bezwaar van appellant gegrond verklaard en hem met ingang van 16 januari 2006 tot 21 juni 2006 ziekengeld toegekend. In het begeleidende verweerschrift heeft het Uwv uiteengezet dat de maatstaf arbeid in de zin van de ZW aanpassing behoeft. Deze bestaat uit twee delen, namelijk enerzijds de geduide functies in 1999 en anderzijds het rugsparende werk bij de werkgever voor 20 uur per week. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt was voor zijn aldus beschreven arbeid. Het Uwv blijft van mening dat appellant per 16 januari 2006 niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel eindigt het recht op ziekengeld evenwel eerst op het moment dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij geen recht had op ziekengeld, namelijk per 21 juni 2006.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen beide besluiten op bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. De Raad stelt - ambtshalve oordelend - voorop dat het Uwv achtereenvolgens twee primaire besluiten heeft genomen die strekten tot weigering van ziekengeld per 16 januari 2006. Het eerste besluit, van 20 maart 2006, is na het nemen van het in overweging 1.2 vermelde besluit op bezwaar van 17 augustus 2006 rechtens onaantastbaar geworden. Het tweede besluit, van 20 juni 2006, brengt geen nieuw rechtsgevolg teweeg, nu reeds bij het eerste besluit ziekengeld per 16 januari 2006 was geweigerd. Daaraan doet niet af dat het tweede besluit op een andere rechtsgrondslag berust dan het eerste besluit. Het tweede besluit is derhalve niet op één lijn te stellen met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het daartegen gerichte bezwaar had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het bezwaar tegen de beslissing van 20 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaren.

3.2. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit 2 inhoudt toekenning van ziekengeld met ingang van 16 januari 2006 en beëindiging van het ziekengeld per 21 juni 2006. Dit besluit is dan ook een primair, op zelfstandig rechtsgevolg gericht besluit. Met toepassing van artikel 6:15 van de Awb zal de Raad dit besluit met het daartegen gerichte beroepschrift en hoger beroepschrift doorzenden aan het Uwv ter behandeling als bezwaarschrift.

3.3. Aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak komt de Raad derhalve niet meer toe.

4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 322,- in bezwaar, op € 322,- in beroep en op € 322,- in hoger beroep, in totaal € 966,-. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

5. Het verzoek van appellant om vergoeding van geleden schade op grond van artikel 8:73 van de Awb komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door appellant geleden renteschade. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2006 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.W.J. Schoor en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

TM