Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
06-822 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekennen WAO-uitkering. Er is geen arbeidsongeschiktheid ingetreden die onafgebroken 52 weken heeft geduurd. Appellants zoon is ten onrechte door de rechtbank niet als gemachtigde aangemerkt. Verzoek om terug te komen van. Voor zover de daarbij ingezonden stukken niet al bij het Uwv bekend waren, zijn zij merendeels van later datum en bevatten zij met betrekking tot de hier van belang zijnde periode geen nieuwe gegevens. Vernietiging aangevallen uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/822 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2005, 03/825 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Via de rechtbank zijn nog nadere stukken van appellant ontvangen. Appellant heeft zelf ook nadere stukken aan de Raad toegezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Door en namens appellant zijn nog een aantal malen nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote] en zijn zoon [zoon]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sovka.

II. OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie.

2.1. Appellant is in elk geval vanaf september 1966 gedurende diverse periodes in Nederland werkzaam geweest. Van 28 november 1973 tot en met 24 december 1973 ontving appellant ziekengeld ingevolge de Ziektewet. Met ingang van 24 januari 1974 heeft appellant zich vanuit Marokko ziek gemeld. Ter zake van deze ziekmelding is hem ziekengeld toegekend. Dit is hem bij besluit van 17 november 1977 na 20 maart 1974 geweigerd op de grond dat hij niet langer ongeschikt was voor zijn werk. Dit besluit was gebaseerd op een verklaring van de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS), volgens welke appellant op 21 maart 1974 zijn arbeid kon hervatten. Appellants beroep tegen dit besluit is door de voorzitter van de toenmalige Raad van Beroep te Utrecht bij beschikking van 10 februari 1978 ongegrond verklaard. Het tegen deze beschikking gedane verzet is door de Raad van Beroep op 31 augustus 1978 ongegrond verklaard.

2.2. Op 19 augustus 1975 heeft appellant aan het Uwv verzocht hem ziekengeld toe te kennen ter zake van een hem in juni 1974 overkomen verkeersongeval. Deze aanvraag is afgewezen op de grond dat appellant ten tijde van dat ongeval niet verzekerd was voor de Ziektewet. Ook een nadien ingediend verzoek om hem ook op en na 21 maart 1974 ziekengeld toe te kennen, is door het Uwv afgewezen. Dit besluit is door de Raad van Beroep in stand gelaten, welke uitspraak door de Raad is bevestigd.

2.3. In december 1982 heeft appellant een zogeheten Melding AAW bij het Uwv ingediend. Hij heeft daarop aangegeven sedert 28 november 1973 arbeidsongeschikt te zijn geworden. Bij deze melding heeft appellant een verklaring van de CNSS gevoegd, volgens welke hij van 24 december 1973 tot 1 januari 1979 arbeidsongeschikt is geweest. Bij besluit van 15 juli 1983 heeft het Uwv appellant een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet geweigerd onder overweging dat appellant ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid niet voldeed aan de in die wet neergelegde inkomenseis.

2.4. Diverse door en namens appellant gedane verzoeken hebben er in 1987 toe geleid dat zijn aanspraken ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) zijn onderzocht. Dit heeft geresulteerd in een besluit van het Uwv van 9 augustus 1991. Bij dit besluit is appellant een uitkering op grond van de WAO geweigerd op de grond dat er in de periode van 28 november 1973 tot 20 april 1974 (een maand na zijn hersteldverklaring) geen arbeidsongeschiktheid is ingetreden die onafgebroken 52 weken heeft geduurd.

2.5. Na enkele eerdere verzoeken van appellant om hem alsnog een WAO-uitkering toe te kennen, welke door het Uwv zijn afgewezen, heeft het Uwv bij besluit van 27 augustus 2002 geweigerd terug te komen van zijn besluit van 9 augustus 1991, onder overweging dat de door appellant ingezonden stukken geen nieuwe informatie bevatten die een andere kijk op de zaak rechtvaardigen. Bij het bestreden besluit van 16 januari 2003 heeft het Uwv zijn besluit van 27 augustus 2002 na bezwaar gehandhaafd.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats het volgende. Appellant heeft bij het instellen van het hoger beroep naar voren gebracht dat zijn zoon ter zitting van de rechtbank is verschenen maar dat hem is geweigerd als gemachtigde van appellant op te treden. Ter zitting van de Raad heeft appellants zoon toegelicht dat hij zich tijdig bij de rechtbank heeft vervoegd maar dat hem werd geweigerd namens appellant op te treden, ondanks dat zich een machtiging in het dossier bevindt. In aanmerking nemend dat appellant hiervan direct bij het instellen van het hoger beroep melding heeft gemaakt en gehoord de toelichting van appellants zoon ter zitting, acht de Raad deze stelling van appellant geloofwaardig. Hij stelt voorts vast dat appellants zoon namens appellant beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Daarbij was een machtiging gevoegd. Deze machtiging is in december 2002 afgegeven, derhalve voordat het bestreden besluit werd genomen, en daarbij is appellants zoon bevoegd verklaard namens appellant contact op te nemen met het Uwv. Indien de rechtbank dit als onvoldoende heeft beoordeeld, had het op haar weg gelegen appellants zoon in de gelegenheid te stellen een juiste machtiging over te leggen. De Raad merkt daarbij nog op dat appellant in diverse brieven aan de rechtbank zijn zoon als ‘mijn gemachtigde’ heeft aangeduid, zodat niet voor twijfel vatbaar is dat appellant heeft beoogd zijn zoon als gemachtigde aan te wijzen. Naar het oordeel van de Raad is appellants zoon dan ook ten onrechte ter zitting van de rechtbank niet als gemachtigde van appellant aangemerkt.

4.2. Gezien deze gang van zaken is de aangevallen uitspraak niet op de juiste wijze tot stand gekomen. Deze moet dan ook worden vernietigd. Nu appellant in hoger beroep, ook ter zitting van de Raad, zijn standpunt uiteen heeft kunnen zetten, ziet de Raad geen aanleiding de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

4.3. Wat de inhoudelijke kant van de zaak betreft ziet de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het Uwv bij het nemen van zijn besluit van 9 augustus 1991 al beschikte over de door appellant thans als cruciaal aangemerkte stukken. Het Uwv heeft de daarin neergelegde gegevens bij zijn besluitvorming in aanmerking genomen. Appellant heeft tegen het besluit van 9 augustus 1991 geen beroep ingesteld, zodat dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Appellant heeft het Uwv verzocht van dat besluit terug te komen. Voor zover de daarbij ingezonden stukken niet al bij het Uwv bekend waren, zijn zij merendeels van later datum en bevatten zij met betrekking tot de hier van belang zijnde periode geen nieuwe gegevens. Gezien het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon het Uwv derhalve volstaan met verwijzing naar zijn besluit van 9 augustus 1991. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, nu appellant geen proceskosten heeft gevorderd en van voor ambtshalve toekenning in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 april 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

NW