Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1197

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-2992 WWB + 08-6772 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel: verlaging van 10% voor een periode van 60 maanden wegens onverantwoord interen op een door appellant ontvangen letselschadeuitkering. Verzoek om herziening respectievelijk beëindiging van de opgelegde maatregel. Huurschuld. Kniebrace.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2992 WWB

08/6772 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 17 april 2007, 06/2221 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum, Onderbanken en Landgraaf (hierna: dagelijks bestuur).

Datum uitspraak: 7 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling zijn - voor zover hier van belang - de bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum (hierna: College) met ingang van 1 januari 2007 overgedragen aan het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum, Onderbanken en Landgraaf (ISDBol). In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur van de ISDBol in voorkomende gevallen (mede) verstaan het College.

Namens appellant is door mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2009. Voor appellant is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.R.M.R. de Vaan, werkzaam bij de gemeente Brunssum.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Aan appellant is bij besluit van het College van 20 maart 2003 met ingang van 14 oktober 2002 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij is tevens een verlaging toegepast van 10% voor een periode van 60 maanden wegens onverantwoord interen op een door appellant ontvangen letselschadeuitkering van € 66.705,69, waarvan € 10.884,-- als smartengeld buiten beschouwing werd gelaten. De verlaging resulteerde effectief in een maandelijkse korting van € 49,71. Bij besluit van 23 december 2004 is de bijstand omgezet in een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij de maatregel (stilzwijgend) is voortgezet en de maandelijkse korting werd gewijzigd in € 80,62.

1.2. Bij brief van 8 november 2005 heeft appellant het College verzocht terug te komen van het besluit van 20 maart 2003 met dien verstande dat de opgelegde maatregel met terugwerkende kracht tot 14 oktober 2002 dan wel per datum verzoek ongedaan wordt gemaakt. Bij besluit van 3 april 2006 zijn beide verzoeken afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een terugkomen van het eerdere maatregelbesluit kunnen rechtvaardigen en evenmin van dringende redenen om van verdere verlaging van de bijstand af te zien.

1.3. Op 26 april 2006 heeft appellant voorts - voor zover hier van belang - bijzondere bijstand aangevraagd voor de betaling van een bestaande huurschuld en de aanschaf van een kniebrace. Bij besluit van het College van 5 juli 2006 zijn beide aanvragen afgewezen. Ten aanzien van de huurschuld is overwogen dat geen sprake was van zeer dringende redenen om van de hoofdregel (dat geen recht op bijstand bestaat voor de voldoening van schulden) af te wijken. Wat de kniebrace betreft is overwogen dat er geen ruimte is voor bijzondere bijstandsverlening nu in het kader van een voorliggende voorziening is geoordeeld dat de medische noodzaak voor de aanschaf van een kniebrace ontbreekt.

1.4. Bij besluit van 12 september 2006 heeft het College - voor zover hier van belang - de tegen de besluiten van 3 april 2006 en 5 juli 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is - voor zover hier van belang - het tegen het besluit van 12 september 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen dit onderdeel van de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het verzoek om herziening respectievelijk beëindiging van de opgelegde maatregel

4.1. Appellant heeft allereerst verzocht terug te komen van het inmiddels in rechte onaantastbaar geworden besluit van 20 maart 2003 voor zover dat ziet op de toegepaste verlaging. Hij heeft aangevoerd dat destijds geen, althans onvoldoende, rekening is gehouden met bij hem bestaande psychiatrische problematiek en dat zijn financiële positie als gevolg van de maatregel aantoonbaar is verslechterd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen door appellant is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die een terugkomen van het besluit van 20 maart 2003 kunnen rechtvaardigen. Het betreft immers uitsluitend argumenten, zonder objectieve medische onderbouwing, betreffende de juistheid van het besluit van 20 maart 2003, die appellant reeds naar voren had kunnen brengen als hij tegen dat besluit een rechtsmiddel had aangewend. Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat het College, voor zover het verzoek betrekking had op de herziening van het besluit van 20 maart 2003, bevoegd was om dat verzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te wijzen. Niet kan worden gezegd dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.2. De rechtbank heeft voorts, in navolging van het College, overwogen dat er evenmin aanleiding bestond de maatregel per datum verzoek (8 november 2005) alsnog ongedaan te maken omdat de gestelde ernstig verslechterde situatie van appellant ten tijde van dat verzoek niet te wijten zou zijn aan het almaar voortduren van de destijds opgelegde maatregel. De Raad kan dit oordeel niet volgen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn financiële problemen althans voor een deel daarmee samenhingen. De Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat, zoals ter zitting door de gemachtigde van het dagelijks bestuur ook is erkend, de maatregel vanaf de omzetting in een WWB-uitkering (zonder enige toelichting) in effect bijna is verdubbeld (van € 49,71 naar € 80,62 per maand) en dat sedertdien ook geen heroverweging als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de WWB meer heeft plaatsgevonden. In dat kader hadden bijvoorbeeld ook de actuele persoonlijke en financiële omstandigheden van appellant in ogenschouw kunnen worden genomen. Gelet op een en ander acht de Raad ontoereikend gemotiveerd dat er geen grond was om de maatregel na ruim drie jaar (per 8 november 2005) te beëindigen. Het besluit van 12 september 2006 komt in zoverre dan ook wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

De huurschuld

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, alsmede de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat het College op goede gronden niet is overgegaan tot bijzondere bijstandsverlening in de gestelde huurschuld. De Raad voegt daaraan nog toe dat de grondslag voor de bevoegdheid om van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB af te wijken, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet kan worden ontleend aan artikel 16, eerste lid, van de WWB maar is gelegen in artikel 49 van de WWB (zie CRvB van 4 september 2007, LJN BB3196). De Raad ziet geen grond om te oordelen dat in het geval van appellant sprake is geweest van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB die het verlenen van bijzondere bijstand voor de huurschuld zou kunnen rechtvaardigen. Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt.

De kniebrace

4.4. Naar vaste rechtspraak vormen de Ziekenfondswet (Zfw) en de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) voor de kosten van medische aard in beginsel een voorliggende, toereikende en passende voorziening, zodat voor bijzondere bijstandsverlening in die kosten geen plaats is. Ingevolge artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB strekt het recht op bijstand zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening in het algemeen of in een specifiek geval als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

4.5. Mede in aanmerking genomen dat appellant in 2005 bij de CZ-groep een aanvraag ingevolge de Zfw (Regeling hulpmiddelen) voor vergoeding van een kniebrace heeft ingediend en deze aanvraag is afgewezen omdat de gevraagde voorziening niet noodzakelijk werd bevonden, heeft het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat evengenoemde bepaling in beginsel een beletsel vormt voor bijzondere bijstandsverlening. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB geen sprake is. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat blijkens de memorie van toelichting voor het aannemen van zeer dringende redenen dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen zeer dringende redenen in vorenbedoelde zin gelegen, zodat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om met voorbijgaan aan de voorliggende voorziening bijzondere bijstand te verlenen voor de in geding zijnde kosten. Ook in zoverre treft het hoger beroep geen doel.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep alleen voor zover dat ziet op de weigering om de maatregel vanaf 8 november 2005 ongedaan te maken. De Raad ziet hierin aanleiding de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, en het besluit van 12 september 2006 in zoverre te vernietigen en te bepalen dat het dagelijks bestuur in zoverre een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

5. De Raad acht tot slot termen aanwezig om het dagelijks bestuur te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op het niet ongedaan maken van de maatregel per 8 november 2005;

Vernietigt het besluit van 12 september 2006 in zoverre;

Bepaalt dat het dagelijks bestuur in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de intergemeentelijke sociale dienst van de gemeenten Brunssum, Overbanken en Landgraaf (ISDBol) aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de ISDBol aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IA