Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-6434 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6434 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 oktober 2007, 07/899 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 9 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellante noch haar gemachtigde zijn daarbij - met voorafgaand bericht - verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 16 mei 2003 heeft de Svb het pensioen van appellante ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van april 1996 herzien in verband met de vaststelling van een gezamenlijke huishouding. Tevens heeft de Svb besloten dat appellante niet in aanmerking komt voor een toeslag.

1.2. Bij besluit van 17 oktober 2003 heeft de Svb de over de periode augustus 1996 tot en met april 2003 te veel betaalde uitkering van appellante teruggevorderd en een betalingsregeling getroffen.

1.3. Het namens appellante ingediende bezwaar tegen het besluit van 17 oktober 2003 heeft de Svb bij besluit van 9 juni 2004 gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de invordering. De Svb heeft de aflossingscapaciteit opnieuw vastgesteld en overwogen dat appellante vooralsnog niet in staat is maandelijks een bedrag terug te betalen.

1.4. Naar aanleiding van een heronderzoek naar de aflossingscapaciteit van appellante heeft de Svb bij besluit van 26 januari 2007 het maandelijks met het AOW-pensioen van appellante te verrekenen bedrag met ingang van maart 2007 vastgesteld op € 355,50.

1.5. Bij beschikking op bezwaar van 29 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de wijze van terugbetaling gegrond verklaard en het maandelijks te verrekenen bedrag verlaagd naar een bedrag van € 324,--.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat herziening en terugvordering van het AOW-pensioen niet meer aan de orde kunnen komen, nu de ter zake genomen besluiten onherroepelijk zijn geworden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sociale of financiële omstandigheden naar voren zijn gebracht die tot - verdere - matiging van het invorderingsbedrag hadden moeten leiden.

3. Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Appellante kan zich niet verenigen met de hoogte van het maandelijks te verrekenen bedrag. Aangevoerd is onder meer dat bij de berekening van de beslagvrije voet geen rekening is gehouden met een aantal vaste lasten en dat ten onrechte de huurtoeslag wél bij de berekening is betrokken, terwijl appellante die feitelijk niet ontving. Tevens is aangevoerd dat appellante zou moeten kunnen profiteren van gewijzigde inzichten ten aanzien van het verzorgingsaspect bij de beantwoording van de vraag of sprake is van samenwonen als bedoeld in de AOW.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het geschil zich thans beperkt tot de vraag of de Svb terecht heeft besloten tot invordering van een maandelijks te verrekenen bedrag van € 324,--. Herziening en terugvordering kunnen thans niet meer aan de orde komen, nu de ter zake genomen besluiten onherroepelijk zijn geworden.

4.2. Op grond van de resultaten van het door de Svb verrichte inkomensonderzoek naar de financiële draagkracht van appellante is een aflossingscapaciteit berekend van € 324,-- per maand. Deze berekening is gebaseerd op het formulier “berekening aflossingscapaciteit” en de door appellante verstrekte stukken. Bij de bepaling van de beslagvrije voet heeft de Svb rekening gehouden met gebruikelijke vaste lasten. De door appellante genoemde vaste lasten kunnen bij de berekening van de beslagvrije voet geen rol spelen. Gebleken is voorts dat ten tijde van het bestreden besluit de aan appellante toekomende huurtoeslag maandelijks werd uitbetaald en nog geen sprake was van verrekening door de Belastingdienst. Eerst bij de beschikking van de Belastingdienst van 1 augustus 2007 is bepaald dat vanaf die datum tot inhouding zal worden overgegaan. De Raad oordeelt dat de Svb ten tijde van het bestreden besluit de door appellante feitelijk ontvangen huurtoeslag terecht heeft betrokken bij de berekening van de beslagvrije voet.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 april 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

NW