Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07/3429 WWB + 07/3430 WWB + 07/3432 WWB + 07/3434 WWB t/m 07/3438 WWB e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verblijf in het buitenland voor werkzaamheden als reisleider. Geen vrije keuze van de periode waarin geen recht op bijstand bestaat.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 11
Participatiewet 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3429 WWB, 07/3430 WWB, 07/3432 WWB,

07/3434 WWB t/m 07/3438 WWB,

07/3610 WWB t/m 07/3616 WWB,

07/4503 WWB, 07/5231 WWB en 07/5232 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2007, 05/3139, 05/3140, 05/3141, 05/3143, 05/3144, 05/3149, 05/3150 en 05/3147 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

betrokkene

en

het College

Datum uitspraak: 14 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft eveneens hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het College heeft op 14 juni 2007 een nieuw besluit en op 26 juli 2007 twee nieuwe besluiten genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen tussen partijen met reg.nrs 08/5676 WWB en 08/5677 WWB, plaatsgevonden op 10 maart 2009. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. Van Angeren. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontvangt sedert 1986 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en laatstelijk de Wet werk en bijstand (WWB). Hij verricht met tussenpozen in het buitenland werkzaamheden als reisleider.

1.2. Bij afzonderlijke primaire besluiten heeft het College betrokkene voor de jaren 2002, 2003 en 2004 telkens - kort gezegd - met uitzondering van de eerste vier weken voor de duur van zijn verblijf in het buitenland van het recht op bijstand uitgesloten.

1.3. Bij afzonderlijke primaire besluiten heeft het College de aanspraken van betrokkene over de jaren 1999, 2002 en 2004 herzien en de te veel betaalde bedragen teruggevorderd. Over de jaren 2001 en 2003 heeft betrokkene een nabetaling ontvangen.

1.4. Bij acht afzonderlijke besluiten van 26 mei 2005 (hierna: bestreden besluiten) heeft het College, voor zover hier van belang, de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van betrokkene gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en bepaald dat het College nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen. Tevens zijn bepalingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht.

3. Naar aanleiding van hetgeen over en weer in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4. Het verblijf in het buitenland als reisleider.

4.1. In artikel 11, eerste lid (oud), van de WWB is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die - voor zover hier van belang - per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland. Bepalingen van dezelfde strekking waren opgenomen in artikel 7, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw.

4.2. Betrokkene bestrijdt ook in hoger beroep de opvatting van het College dat, per kalenderjaar bezien, gedurende de eerste vier weken van verblijf in het buitenland het recht op bijstand voortduurt, zodat de in die weken met de werkzaamheden als reisleider verworven inkomsten op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Naar de mening van betrokkene staat het hem vrij de verlening van bijstand (ook) gedurende die eerste vier weken stop te laten zetten, in welk geval voor verrekening van zijn inkomsten over deze periode geen plaats is.

4.3. De Raad stelt voorop dat in het geval van betrokkene geen sprake is van verblijf buiten Nederland gedurende de in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw en artikel 45, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde periode van tenminste 30 dagen. Zijn werkzaamheden als reisleider beslaan telkens hooguit drie tot vier weken.

4.4. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de onder 4.2 weergegeven opvatting van het College terecht en op goede gronden onderschreven. De aangehaalde wetsbepalingen laten geen andere conclusie toe dan dat een lopend recht op bijstand pas eindigt wanneer - voor zover hier van belang - het verblijf van de bijstandsgerechtigde in het buitenland in enig kalenderjaar een totaal van vier weken overschrijdt. Deze bepalingen laten geen ruimte voor een systeem zoals door betrokkene bepleit, waarin de bijstandsgerechtigde zelf kan bepalen gedurende welke periode van maximaal vier weken in het jaar hij vakantie neemt. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad speelt het doel van het verblijf in het buitenland geen rol (CRvB 8 maart 2005, LJN AT4471). Of betrokkene in het buitenland verblijft als reisleider, dan wel vakantie houdt zonder werkzaamheden te verrichten, maakt dus voor het voortduren van zijn recht op bijstand geen verschil. Dat hij in het ene geval voor verrekening vatbare inkomsten ontvangt en in het andere geval niet, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.5. Betrokkene heeft nog aangevoerd dat hij ook geen recht op bijstand heeft, indien hij zou nalaten het College toestemming te vragen om naar het buitenland te mogen reizen. Deze beroepsgrond treft evenmin doel. Het voortduren van het recht op bijstand gedurende de eerste vier weken van het verblijf in het buitenland is op zichzelf niet afhankelijk van het al dan niet verleend zijn van de door betrokkene bedoelde toestemming. Dat betrokkene zich bij het ontbreken van die toestemming zou blootstellen aan het risico van een maatregel en dat onder omstandigheden zijn recht op bijstand niet meer zou kunnen worden vastgesteld, maakt dit niet anders.

4.6. Het hoger beroep van betrokkene faalt derhalve op dit onderdeel.

4.7. Uit het vorenstaande volgt tevens dat het College in hoger beroep terecht heeft aangevoerd dat de rechtbank - gezien ook haar eigen overwegingen - de hier aan de orde zijnde bestreden besluiten niet had mogen vernietigen en in plaats daarvan de beroepen van betrokkene ongegrond had moeten verklaren. Evenmin was er plaats voor de uitgesproken proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht.

5. De herziening en terugvordering.

5.1. Wat betreft de herziening en terugvordering over het jaar 1999 bestaat inmiddels tussen partijen geen geschil meer. Het College heeft zich neergelegd bij de vernietiging door de rechtbank van het bestreden besluit over dit jaar en is betrokkene bij het in rubriek I genoemde nieuwe besluit van 14 juni 2007 alsnog volledig tegemoetgekomen, ook ten aanzien van de kosten van de bezwaarprocedure. Het bestreden besluit over 1999 alsmede het besluit van 14 juni 2007 blijven in hoger beroep dus verder buiten beschouwing.

5.2. Wat betreft de jaren 2001 tot en met 2004, keert betrokkene zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat het College in redelijkheid heeft kunnen komen tot terugvordering van al hetgeen per saldo ten onrechte aan hem is uitgekeerd. Het hoger beroep van het College is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt welke bedragen betrokkene nog tegoed heeft en welke bedragen hij dient terug te betalen, zodat het bedrag van de terugvordering onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Voorts bestrijdt het College ook hier de juistheid van de veroordeling in de proceskosten.

5.3. De Raad stelt vast dat op zichzelf niet in geschil is dat aan betrokkene over 2002 en 2004 tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Dit betekent dat het College aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de bevoegdheid ontleent om de kosten van bijstand in zoverre van betrokkene terug te vorderen. De in het vijfde lid neergelegde beperking van de terugvordering tot de kosten van de laatste twee jaar is bij deze grond voor terugvordering niet van toepassing.

5.4. Het besluit om hetgeen te veel is uitgekeerd volledig terug te vorderen is in overeenstemming met de door het College gehanteerde beleidsregel inzake terugvordering. Hetgeen door betrokkene is aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat sprake is van dringende redenen in de zin van deze beleidsregel om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, dan wel van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die tot afwijking van de beleidsregel nopen. Meer in het bijzonder kan betrokkene op grond van de beschikbare gegevens niet staande houden dat het College willens en wetens in gemaakte fouten heeft volhard of onevenredig veel tijd heeft genomen om tot een juiste vaststelling van zijn aanspraken te komen.

5.5. Het hoger beroep van betrokkene is derhalve ook op dit onderdeel ongegrond.

5.6. Wat betreft de berekening van de terug te vorderen en na te betalen bedragen, kan de Raad zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de bestreden besluiten aan een motiveringsgebrek lijden. Door middel van de zogenoemde spread sheets heeft het College voor ieder jaar een per periode en te verrekenen post uitgesplitst overzicht van haar berekeningen gegeven. Van deze berekeningen kan niet op voorhand worden gezegd dat zij onjuist of onvolledig zijn dan wel anderszins niet aan de bestreden besluitvorming ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Het lag dan ook op de weg van betrokkene om voldoende concreet en gedetailleerd aan te tonen dat en in welke opzichten de berekeningen van het College niet deugen. Betrokkene heeft daartoe in beroep een zogenoemde accountantsverklaring overgelegd, opgesteld door een fiscaal jurist, waarop het College gedetailleerd heeft gereageerd. Vervolgens heeft betrokkene een nadere accountantsverklaring overgelegd, waarin nog enkele twijfelpunten zijn opgesomd en daarnaast een nieuw element is geïntroduceerd in de vorm van te verrekenen vakantiegeld. Hierop is het College puntsgewijs ingegaan. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit deze discussie tussen partijen geen fundamentele fouten in de berekening naar voren zijn gekomen, te meer nu de verschillen in uitkomst verhoudingsgewijs gering zijn. De Raad kan de rechtbank ook nog volgen waar zij overweegt dat in het discours steeds nieuwe inzichten en correcties zijn ingebracht, maar is anders dan de rechtbank van oordeel dit in overwegende mate aan betrokkene moet worden toegeschreven. Aan het College kan bezwaarlijk worden verweten dat het, geconfronteerd met steeds weer opgeworpen bezwaren en twijfelpunten, heeft getracht de cijfermatige berekeningen met woorden te verduidelijken en vanuit meerdere invalshoeken te belichten. Al met al is betrokkene er naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd de gestelde ondeugdelijkheid van de berekeningen aannemelijk te maken.

5.7. Het hoger beroep van het College treft dus doel. De hier bestreden besluiten zijn door de rechtbank ten onrechte vernietigd, met uitzondering van het besluit inzake het jaar 2002 wat betreft het - door het College als onjuist erkende - ontbreken van een vergoeding van de kosten van het bezwaar. Voor het overige hadden de beroepen ongegrond moeten worden verklaard en was er geen plaats voor de uitgesproken proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht.

5.8. Los daarvan is uit de aangevallen uitspraak af te leiden dat de rechtbank ten onrechte voor één zitting vijf punten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft toegekend. Ook in zoverre slaagt het hoger beroep van het College.

6. De Raad zal voor de duidelijkheid de aangevallen uitspraak in haar geheel vernietigen, behoudens voor zover deze ziet op de herziening en terugvordering over 1999, en doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

7. De beide in rubriek I genoemde besluiten van 26 juli 2007, die ter uitvoering van de aangevallen uitspraak zijn genomen, worden wel met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb bij het geding in hoger beroep betrokken.

Aan deze besluiten komt door het vorenstaande de rechtsgrond te ontvallen, zodat zij moeten worden vernietigd. Hiervan is uitgezonderd het gedeelte waarbij alsnog een vergoeding is toegekend voor de kosten van het bezwaar inzake het jaar 2002.

8. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze ziet op de herziening en terugvordering over 1999;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 mei 2005 inzake de herziening en terugvordering over het jaar 2002 gegrond wat betreft het niet-toekennen van een vergoeding voor de proceskosten in bezwaar en vernietigt dit besluit in zoverre;

Verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan betrokkene het door hem in eerste aanleg betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van € 74,--;

Vernietigt de besluiten van 26 juli 2007, behalve voor zover daarbij een vergoeding is toegekend voor de kosten van het bezwaar inzake de herziening en terugvordering over het jaar 2002.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. Waasdorp.

NW