Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-5047 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Echter eerst in hoger beroep voldoende passende functies naar voren gebracht. Vernietiging besluit met in standlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5047 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 juli 2007, 06/4801 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 10 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv bij brief van 25 februari 2009 een nadere arbeidskundige motivering ingestuurd. Bij brief van 26 februari 2009 is hierop namens appellant gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 februari 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn - met kennisgeving - niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 4 augustus 1999 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet wegens schouderklachten. Daarvoor was appellant laatstelijk werkzaam als sloper voor 45 uur per week.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd werd aan appellant na een bezwaarprocedure met ingang van 2 augustus 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsarts C. van der Smagt-Smeets appellant onderzocht tijdens een spreekuurcontact. In het rapport van 30 januari 2006 heeft deze verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant is aangewezen op met name linker schoudersparende arbeid. De beperkingen legde zij vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft arbeidsdeskundige A.F. Heilbron in het rapport van 2 maart 2006 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit berekend op nihil. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 17 maart 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 4 mei 2006 ingetrokken.

2. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts J.W.H.J. Verzijden. Deze verzekeringsarts is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft kennis genomen van de op zijn verzoek verstrekte brief van 10 augustus van G. Busser, huisarts van appellant, en de brief van 18 mei 2006 van dr. R. van Crevel, internist bij het UMC St Radboud te Nijmegen. Uit het rapport van 14 augustus 2006 en de FML van diezelfde datum blijkt dat Verzijden de belastbaarheid op het item tillen heeft aangescherpt tot 5 kilogram met de aantekening dat tillen dichtbij het lichaam incidenteel mogelijk is tot 10 kilogram. Verder heeft Verzijden geen aanleiding gezien om af te wijken van het primaire medische oordeel. Bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijnen heeft vervolgens de passendheid van de geduide functies opnieuw beoordeeld en in het rapport van 23 augustus 2006 geconcludeerd dat een aantal functies komt te vervallen. Reijnen berekende dat er ook dan geen verlies aan verdienvermogen was. Bij besluit van

24 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 maart 2006 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat één van de functies inpakker (sbc-code 111190) niet aan de schatting ten grondslag gelegd kan worden nu daarin de belasting op het item reiken de belastbaarheid van appellant overschrijdt. In sbc-code 111190 blijft evenwel 1 functie met voldoende arbeidsplaatsen over, waardoor het mediaanloon en de mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigen. Mede gelet op het aanvullende arbeidskundige rapport van 18 april 2007 heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de resterende aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant ongeschikt te achten. Nu een voldoende deugdelijke arbeidskundige toelichting op die functies eerst na de datum van het bestreden besluit is verkregen, dient, aldus de rechtbank, dit besluit vernietigd te worden, maar bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen ervan geheel in stand te laten.

4. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Naar het oordeel van appellant heeft het Uwv zijn beperkingen onderschat. Tevens acht appellant zich niet in staat om de geduide functies te verrichten. Ten slotte handhaaft appellant zijn grond over de ten onrechte toegepaste maximering van de maatmanomvang.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens blijkt naar het oordeel van de Raad uit de in het dossier aanwezige medische gegevens niet dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Daaraan voegt de Raad nog toe dat appellant ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij ten tijde in geding meer of ernstiger beperkt was dan door het Uwv is aangenomen.

5.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

5.4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat één van de functies inpakker, te weten hulparbeider bakkerij (sbc-code 111190) diende te vervallen wegens overschrijding van de belastbaarheid van appellant op het aspect reiken. Naar het oordeel van de rechtbank had dit geen consequenties voor de mate van arbeidsongeschiktheid, aangezien er nog een functie met voldoende arbeidsplaatsen in sbc-code 111190 resteerde. Daarbij heeft de rechtbank echter geen rekening gehouden met het feit dat in beroep de omvang van de maatman alsnog is vastgesteld op 45 uur, zoals blijkt uit het arbeidskundige rapport van 18 april 2007. Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad hierover heeft het Uwv in de brief van 25 februari 2009 onderkend dat met het vervallen van de functie van hulparbeider bakkerij uit sbc-code 111190 de reductiefactor wijzigt in 36,17/45 = 0,80. Uitgaande van de resterende functie inpakker (sbc-code 111190), alsmede de functies controleur metaalproducten (sbc-code 264150) en machinebediende voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 271091) zou de mate van arbeidsongeschiktheid wijzigen in 17%. Gelet op deze uitkomst heeft het Uwv de functie van inpakker (sbc-code 111190) laten vervallen en vervangen door de functie van samensteller metaalwaren (sbc- code 264140). Hierdoor blijft de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd minder dan 15%.

5.4.2. De Raad ziet geen aanleiding om deze berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid voor onjuist te houden. Door de laatstgenoemde functie in overweging 5.4.1 aan de schatting ten grondslag te leggen wordt, na toepassing van de reductiefactor, het hoogste inkomen per uur verworven. In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 3 februari 2004 (LJN AO5192). Voorts was de functie van samensteller metaalwaren primair reeds geduid. In de omstandigheid dat er bij deze herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid in hoger beroep geen bezwaararbeidsdeskundige is betrokken, ziet de Raad geen grond voor het oordeel om de schatting voor onjuist dan wel onzorgvuldig te houden.

5.5. Voorts is de Raad van oordeel dat met het arbeidskundige rapport van 18 april 2007 genoegzaam is toegelicht waarom de thans aan de schatting ten grondslag gelegde functies van samensteller metaalwaren (sbc-code 264140), controleur metaalproducten (sbc-code 264150) en machinebediende voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 271091) als voor appellant medisch geschikt kunnen worden beschouwd. Wat betreft het item duwen en trekken in de functie van machinebediende voedingsmiddelenindustrie

(sbc-code 271091) is de Raad, mede gelet op hetgeen het Uwv daarover ter zitting heeft toegelicht, van oordeel dat de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden. De belasting op dit item is naar het oordeel van de Raad niet vergelijkbaar met de belasting op hetzelfde item in de functie medewerker luistercontrole (sbc-code 267060), welke functie in de bezwaarfase is komen te vervallen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat in het Resultaat Functiebeoordeling bij de functie medewerker luistercontrole expliciet staat vermeld dat er op het item duwen en trekken sprake is van een hoge belasting. Dit is niet het geval bij de functie machinebediende voedingsmiddelenindustrie.

5.6. Gelet op de overwegingen 5.4 en 5.5 is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust.

5.7. Niettemin kan het bestreden besluit geen stand houden nu het Uwv in de fase van het hoger beroep de functies waarop de schatting is gebaseerd, heeft gewijzigd. Gelet hierop heeft de rechtbank op onjuiste gronden de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. Om die reden zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand zijn gelaten. Vervolgens zal de Raad zelf bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een 1/2 punt voor de reactie op de brief van het Uwv van 25 februari 2009).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand zijn gelaten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 483,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

KR