Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-4677 WWB + 07-4679 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alleenstaande ouder. Sollicitatieplicht. Gemeentelijk beleid: De artikelen 3.3 en 3.4 van de Beleidsregels, voor zover daarin is neergelegd dat men zich altijd een aantal dagdelen per week beschikbaar dient te stellen, zijn onverbindend wegens strijd met artikel 9, tweede en vierde lid, van de WWB. Nu van een individuele beoordeling van de situatie van appellante geen sprake is geweest, komt ook het besluit van 1 november 2005 wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/143
JWWB 2009, 110
USZ 2009/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4677 WWB

07/4679 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2007, nummers 05/5687 en 06/2013 (hierna: aangevallen uitspraak)

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Op 17 januari 2009 heeft appelante nadere stukken aan de raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2009. Appellante is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, alleenstaande ouder met vijf kinderen, van wie de jongste is geboren [in] 2003 en de oudste weliswaar bij de vader woont maar overdag vaak bij appellante is, ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 20 mei 2003 heeft het College appellante wegens de zorg voor haar kinderen vrijgesteld van de sollicitatieplicht.

1.2. Op 28 juni 2005 is een onderzoek ingesteld naar de arbeidsmogelijkheden van appellante. Zij heeft daarbij aangegeven in verband met haar huishouden en de zorg voor haar kinderen geen tijd te hebben om te gaan werken. Onder verwijzing naar de mogelijkheden van kinderopvang en overblijf wordt desondanks in een trajectplan gedateerd

28 juni 2005 overeengekomen dat appellante bij Kaleos Educatie BV (hierna: Kaleos) het doelgroeptraject voor alleenstaande ouders zal gaan volgen. Tot de start van dit traject, op 15 september 2005, heeft appellante de tijd om kinderopvang te regelen. Tegen het trajectplan heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van - eveneens - 28 juni 2005 heeft het College aan appellante meegedeeld dat haar vanaf die datum een actieve sollicitatieplicht is opgelegd, die in verband met de zorg voor haar kinderen is beperkt tot 16 uur per week. In het kader daarvan dient zij ten minste medewerking te verlenen aan onderzoek naar haar mogelijkheden en begeleiding richting de arbeidsmarkt door Kaleos.

1.4. Op 3 augustus 2005 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 28 juni 2005. Zij heeft daarin aangegeven dat het, mede gelet op haar stofallergie, zeer moeilijk is om haar vijf kinderen, in leeftijd variërend van bijna 12, 10, 8, 5 en 2,5 jaar, op te voeden en verzocht om vrijstelling van de verplichtingen tot

arbeidsinschakeling totdat ook haar jongste dochter naar school gaat.

1.5. Naar aanleiding van het feit dat appellante bij Kaleos had aangegeven in afwachting van de beslissing op haar bezwaar niet mee te werken aan het reïntegratietraject, heeft het College bij besluit van 22 september 2005 haar uitkering met € 200,-- verlaagd.

1.6. Bij besluit van 1 november 2005 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 juni 2005 met een beroep op de beleidsregels ongegrond verklaard.

1.7. Bij besluit van 3 november 2005 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 september 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 1 november 2005 en 3 november 2005 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden. In onderdeel b van dit artikellid is bepaald dat de belanghebbende gebruik dient te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2. Ingevolge het tweede lid van artikel 9 van de WWB kan het College, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid. Daarbij is bepaald dat zorgtaken als dringende redenen kunnen worden aangemerkt, voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB. Indien de tijdelijke ontheffing een alleenstaande ouder betreft dient het College in het bijzonder een afweging te maken tussen het belang van arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst te geven aan de zorgplicht.

4.3. In het vierde lid van artikel 9 van de WWB is neergelegd dat de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts geldt nadat het College zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene.

4.4. Het College hanteerde blijkens artikel 3.3 van de Beleidsregels Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand (hierna: Beleidsregels) ten tijde van belang het volgende beleid:

1. Burgemeester en wethouders houden rekening met de zorgwens van de alleenstaande ouder zolang het jongste kind nog geen 5 jaar is.

2. Totdat het jongste kind van een alleenstaande ouder dan 5 jaar is, vergt het belang van arbeidsinschakeling een beschikbaarheid voor arbeid, dan wel een voorziening gedurende ten minste vier dagdelen per week.

Artikel 3.4 van de Beleidsregels bepaalt:

Voor de alleenstaande ouder met een kind tot 12 jaar geldt de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden voor acht dagdelen per week, onder aftrek van de dagdelen dat hij noodzakelijke scholing volgt.

4.5. Voor zover in de artikelen 3.3 en 3.4 van de Beleidsregels is neergelegd dat alleenstaande ouders, los van hun zorgwens, altijd vier (bij kinderen tot 5 jaar) danwel acht (bij kinderen tussen 5 en 12 jaar) dagdelen beschikbaar dienen te zijn, is naar het oordeel van de Raad sprake van strijd met het bepaalde in artikel 9, tweede en vierde lid, van de WWB. Zowel de afweging die moet worden gemaakt tussen het belang van de arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst te geven aan de zorgplicht, als de aan het College opgedragen onderzoeksplicht naar de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene vergt immers een individuele beoordeling, waar de artikelen 3.3 en 3.4 van de Beleidsregels thans slechts ruimte voor laten voor zover het een beschikbaarheid van méér dan vier respectievelijk acht dagdelen per week betreft.

4.6. Uit het onder 4.5 overwogene vloeit voort dat de artikelen 3.3 en 3.4 van de Beleidsregels, voor zover daarin is neergelegd dat men zich altijd een aantal dagdelen per week beschikbaar dient te stellen, onverbindend zijn wegens strijd met artikel 9, tweede en vierde lid, van de WWB. Nu van een individuele beoordeling van de situatie van appellante geen sprake is geweest, komt ook het besluit van 1 november 2005 wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

4.7. Aangezien daarmee tevens de grondslag is komen te ontvallen aan de afstemming van de bijstand, dient ook het besluit van 3 november 2005 wegens strijd met de wet te worden vernietigd.

4.8. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de besluiten van 1 november 2005 en van 3 november 2005 vernietigen.

4.9. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

4.10. Blijkens de nadere stukken die appellante bij brief van 17 januari 2009 aan de Raad heeft toegezonden is zij in september 2007 in dienst getreden bij U en Zo Thuiszorg voor een werktijd van 16 uur per week. Sinds januari 2008 is appellante wegens overbelasting uitgevallen. Ter zitting heeft appellante desgevraagd verklaard dat het College haar vanaf medio januari 2008 opnieuw ontheffing heeft verleend van de arbeidsverplichtingen,

zodat thans ter beoordeling voorligt een afgesloten periode in het verleden.

4.11. Nu, gelet op de thans beschikbare gegevens, niet valt te verwachten dat een nader onderzoek door het College en een individuele beoordeling van de situatie van appellante zal leiden tot een ander oordeel dan dat de ontheffing van de arbeidsverplichtingen ook gedurende de in geding zijnde periode in stand had dienen te blijven, ziet de Raad aanleiding om zelf in de zaak de voorzien en de primaire besluiten van 28 juni 2005 en

22 september 2005 te herroepen.

4.12. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 2,76 in beroep en op € 17,16 in hoger beroep voor reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de besluiten van 1 november 2005 en van 3 november 2005;

Herroept de besluiten van 28 juni 2005 en van 22 september 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 19,92, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 180,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) N.L.E.M. Bynoe

NW