Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1013

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-2979 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstandsuitkering. Geen bijstand verlening over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Naar vaste rechtspraak van de Raad is het enkele feit dat een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt verleend geen bijzondere omstandigheid die het vervroegen van de ingangsdatum van de bijstand kan rechtvaardigen. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2979 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2007, 06/2955 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 7 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2009. Namens appellant is verschenen mr. P. van der Heijden, kantoorgenoot van mr. Oosterveen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. van der Heijden-Wijnen, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 21 juli 2005 is aan appellant een verblijfsvergunning verleend voor de periode van 1 april 2001 tot 1 april 2006. Op 14 november 2005 heeft appellant zich gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) voor het aanvragen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 29 december 2005 heeft het College aan appellant met ingang van 14 november 2005 bijstand toegekend ter aanvulling op zijn uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Toeslagenwet alsmede een invaliditeitsuitkering. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de bijstand en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aanvullende bijstand vanaf 1 april 2001. Bij het besluit van 7 juni 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 december 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 7 juni 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. Artikel 44, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College in de aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden om appellant met ingang van een eerdere datum dan 14 november 2005 bijstand toe te kennen.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad is het enkele feit dat een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt verleend geen bijzondere omstandigheid die het vervroegen van de ingangsdatum van de bijstand kan rechtvaardigen. Volgens het beleid van het College, neergelegd in het Handboek SoZaWe, kan aanleiding bestaan een eerder besluit tot weigering van bijstand te herzien, als een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt verleend en uit onderzoek blijkt dat in de betreffende periode niet in de noodzakelijke kosten van bestaan is voorzien, bijvoorbeeld doordat er schulden zijn ontstaan waaraan een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is gekoppeld. Ter zitting van de Raad heeft het College toegelicht dat dit beleid niet alleen wordt gehanteerd bij een verzoek om terug te komen van een eerdere weigering van bijstand, maar ook, zoals in het geval van appellant, bij een eerste verzoek om verlening van bijstand met terugwerkende kracht. Voor zover het hiervoor weergegeven beleid inhoudt dat bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend in andere gevallen dan waarin dat door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd, dient dat beleid te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat de besluitvorming van het College in overeenstemming is met het door hem gevoerde beleid. Het College is immers nagegaan of appellant in de betreffende periode niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft kunnen voorzien en is tot de conclusie gekomen dat dit niet is komen vast te staan. Ook naar het oordeel van de Raad heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode vanaf 1 april 2001 schulden heeft gemaakt waaraan een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is gekoppeld. Bij de aanvraag van bijstand heeft appellant opgegeven dat hij vanaf 1998 van zes vrienden een bedrag van in totaal circa € 40.000,-- heeft geleend, dat de leningen niet op papier staan en dat ook geen duidelijke aflossingsverplichting bestaat. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft appellant ten bewijze van de gemaakte schulden een zestal in juli 2006 en oktober 2006 opgemaakte schuldbekentenissen overgelegd. De Raad laat in het midden of het feitelijk bestaan van de door appellant gestelde schulden in voldoende mate aannemelijk is gemaakt, nu de vraag of sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting naar het oordeel van de Raad ontkennend moet worden beantwoord omdat in die schuldbekentenissen een aflossingsverplichting ontbreekt of zodanig algemeen is geformuleerd dat niet gesproken kan worden van een concrete, daadwerkelijke verplichting. Daarbij tekent de Raad aan dat appellant ter zitting van de rechtbank op 14 februari 2007 heeft verklaard dat hij nog geen betalingen heeft gedaan ter aflossing van deze schulden. De Raad ziet voorts, ook los van het beleid geen bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van de bijstand rechtvaardigen.

4.4. Uit de overwegingen 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het besluit van 7 juni 2006 ongegrond is verklaard, voor bevestiging in aanmerking komt.

4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ