Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0986

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
07-3118 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. De in hoger beroep overgelegde stukken geven de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel. Nadere motivering in hoger beroep. Voldoende functies. Opleidingseisen. Proceskostenveroordeling. Instandlaten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3118 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 april 2007, 07/17 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 10 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant stelde mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle hoger beroep in en zond hij twee maal stukken toe.

Het Uwv diende een verweerschrift, een reactie van de bezwaarverzekeringsarts en een arbeidskundig rapport in.

Het onderzoek ter zitting vond plaats in een enkelvoudige kamer op 24 oktober 2008. Appellant is daar bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het Uwv liet zich vertegenwoordigen door M. van Leeuwen. De enkelvoudige kamer heropende het onderzoek en verwees de zaak naar de meervoudige kamer.

De vervolgzitting vond in een meervoudige kamer plaats op 27 februari 2009. Appellant is daar opnieuw bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het Uwv liet zich vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 17 november 2006 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij handhaaft het Uwv, voor zover van belang, zijn weigering van 11 maart 2005 om appellant per 28 februari 2005 een WAO-uitkering toe te kennen. De reden voor deze weigering is dat de arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% bedraagt.

2.1. De rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond, met bepalingen over de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de ongegrondverklaring van het beroep. Evenals in beroep heeft appellant in hoger beroep als gronden aangevoerd dat de medische beperkingen van appellant zijn onderschat en dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek gebruik had moeten worden gemaakt van het verzekeringsgeneeskundig protocol inzake aspecifieke lage rugpijn.

2.2. De rechtbank heeft onder meer overwogen:

“Eiser is op 1 december 2003 met rugklachten uitgevallen voor zijn werk als mentor pakketpost bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] voor 35 uur per week. (..)

De rechtbank stelt vast dat er (..) sprake is geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek, en is van oordeel dat de uit dat onderzoek getrokken conclusies op overtuigende wijze zijn onderbouwd. Daaraan doet niet af dat de bedrijfsarts (..) kennelijk uitgaat van meer beperkingen, nu het oordeel van de bedrijfsarts is opgemaakt op

19 december 2005, terwijl voorts aan het oordeel (..) geen doorslaggevende betekenis toekomt. Overigens kan uit het rapport van de bedrijfsarts worden afgeleid dat met name de door eiser ervaren klachten leidend zijn geweest (..). Nu (..) geen nadere (medische) gegevens zijn ingebracht, die een ander licht werpen op de belastbaarheid van eiser op de datum in geding, of die tot twijfel leiden aan de vaststelling van verweerder daarvan, ziet de rechtbank geen reden de medische grondslag van het besluit voor onjuist te houden. (..)

Eerst ter zitting is (..) naar voren gebracht dat het Verzekeringsgeneeskundige protocol inzake Aspecifieke lage rugpijn van de Gezondheidsraad d.d. 30 november 2005 ( het Protocol) in alle stappen had moeten worden doorlopen. Gelet op het bepaalde in artikel 2, in samenhang met artikel 3, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten, Stcrt. 33, in werking getreden op 31 januari 2006, maakt de verzekeringsarts (..) gebruik van het Protocol (..) indien deze beoordeling van de arbeidsongeschiktheid plaats vindt naar aanleiding van een aanvraag die ná 6 maart 2006 is ontvangen. In casu heeft de beoordeling (..) plaats gevonden naar aanleiding van een aanvraag die vóór 6 maart 2006 is ingediend. Deze grief treft derhalve (..) geen doel.”

3.1. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank en ook hij verwerpt deze beroepsgronden. De in hoger beroep overgelegde stukken geven de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel.

3.2.1. In hoger beroep gaf het Uwv een nadere arbeidskundige onderbouwing voor het bestreden besluit. Enkele als geschikt aan appellant voorgehouden functies zijn daarbij komen te vervallen. Niettemin resteren ruim voldoende functies en blijft de conclusie, dat het met de drie hoogst beloonde functies gemiddeld te verdienen loon, dat van een mentor bij [naam werkgever] overtreft.

3.2.2. Daarmee is pas in hoger beroep een afdoende motivering gegeven van het bestreden besluit en daarom kan de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, geen stand houden, is het inleidende beroep gegrond en zal de Raad het bestreden besluit vernietigen.

3.2.3. De in hoger beroep gegeven arbeidskundige onderbouwing overtuigt de Raad dat de belasting in de resterende functies de belastbaarheid van appellant niet overtreft.

3.2.4. Met zijn MAVO-diploma voldoet appellant aan de gestelde scholingseisen. Gelet op de door hem in het Nederlandstalige deel van de Benelux gevolgde schoolopleiding en zijn arbeidsverleden, heeft de Raad geen twijfel dat hij beschikt over voldoende taalvaardigheid in de Nederlandse taal om de geduide functies te kunnen vervullen. Of appellant ook de Engelse taal voldoende machtig is om de functie directiechauffeur te kunnen uitoefenen, kan in het midden blijven. Als die functie zou afvallen, blijven immers nog voldoende functies over waarmee hij (nagenoeg) het geïndexeerde loon van een mentor bij [naam werkgever] kan verdienen. De conclusie is daarom dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

4. De Raad ziet aanleiding om het Uwv in de proceskosten te veroordelen, wegens de aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand begroot op € 853,30.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 november 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten tot € 853,30, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het griffierecht voor het hoger beroep tot een bedrag van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) A.L. de Gier.

TM