Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-5260 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. SLE. Niet voldoende is gemotiveerd waarom er wel een beperking op het item ‘koude’ is aangenomen en niet op het item ‘hitte’, terwijl appellante heeft geclaimd ook wat betreft hitte beperkt te zijn. Medische grondslag onvoldoende zorgvuldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5260 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 juli 2007, 06/3490 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.M.W. Bongers, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 25 oktober 2007.

Bij brief van 28 november 2007 heeft het Uwv een rapport van bezwaararbeidsdeskundige G.C.M. van Heeswijk van 26 november 2007 ingestuurd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 februari 2009. Appellante is daarbij verschenen, bijgestaan door mr. L. Boon, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Namens het Uwv is verschenen drs. C.L. Schuren.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als voltijds secretaresse toen zij zich op 9 februari 1993 voor die werkzaamheden ziek heeft gemeld wegens gewrichtsklachten en vermoeidheidsverschijnselen ten gevolge van Systemische Lupus Erythematosus (SLE).

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellante met ingang van 8 februari 1994 een uitkering ingevolge onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsarts R. Hoving-Lammers appellante onderzocht tijdens een spreekuurcontact. Volgens haar rapport van 20 september 2005, zoals dit nader is uitgewerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van diezelfde datum, is appellante aangewezen op fysiek licht werk dat geen hoog handelingstempo heeft, zonder leidinggevende aspecten, zonder veelvuldige deadlines en productiepieken en waarin geen contact met patiënten en hulpbehoevenden vereist is. Tevens is appellante beperkt in het omgaan met conflicten en is een urenbeperking aangenomen van vier uur per dag, twintig uur per week. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige L. Post blijkens een rapport van 26 september 2005 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 63,39%, hetgeen leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 10 november 2005 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 10 januari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.4. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts J.A.F. Leunisse-Walboomers. Deze verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, waarbij zij kennis heeft genomen van de op haar verzoek verstrekte brief van 3 april 2006 met bijlagen van GZ-psycholoog drs. E. Bicknese en van de brief van 11 april 2006 van reumatoloog Z.L.B.M. Montnor-Beckers. In het rapport van 20 april 2006 heeft Leunisse-Walboomers geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire medische oordeel. Bezwaararbeidsdeskundige G.C.M. van Heeswijk heeft opnieuw de geduide functies beoordeeld en in het rapport van 28 juni 2006 geconcludeerd dat de primair geduide functies onveranderd geschikt zijn, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 55 tot 65% blijft. Bij besluit van 30 juni 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 november 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de geselecteerde functies voor appellante ongeschikt te achten.

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Appellante is van mening dat haar beperkingen zijn onderschat. Appellante acht zich vanwege haar vermoeidheidsklachten niet in staat om 20 uur per week te werken dan wel om de geduide functies te verrichten.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.1. In het rapport van 20 september 2005 heeft verzekeringsarts Hoving-Lammes aangegeven dat het – volgens dit rapport zeer beperkte – dagverhaal van appellante aanknopingspunten oplevert voor het belastbaarheidsoordeel. Volgens de verzekeringsarts is er met name sprake van een met ziekte of gebrek in verband staande verschraling van dagelijkse activiteiten. In het licht hiervan acht de Raad de motivering van de verzekeringsarts om geen verdergaande urenbeperking aan te nemen dan vier uur per dag, twintig uur per week, niet voldoende.

4.2.2. Bezwaarverzekeringsarts Leunisse-Walboomers heeft in het rapport van 20 april 2006 nader gemotiveerd waarom er geen grond is om een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Naar het oordeel van deze bezwaarverzekeringsarts ligt het dagactiviteitenniveau van appellante veel lager dan op grond van de – onder medicatiegebruik stabiele – status van haar ziekte SLE verwacht mag worden. Volgens de bezwaarverzekeringsarts spelen bij de vermoeidheidsklachten van appellante, zoals ook door de psycholoog Bicknese is aangegeven, andere factoren een grote rol, zoals deconditionering, gewenning, coping en (passief afhankelijke) persoonlijkheidsfactoren. Nu deze factoren bij het vaststellen van de belastbaarheid niet worden meegewogen, biedt de beleving door appellante van haar klachten en beperkingen naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende grond voor het aannemen van een verdergaande urenbeperking. De Raad ziet echter in de brief van 3 april 2006 van psycholoog Bicknese onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er bij appellante sprake is van onjuist copinggedrag. In voornoemde brief heeft de psycholoog aangegeven dat appellante een goede balans lijkt te hebben gevonden tussen haar activiteitenpatroon en beperkingen. Appellante heeft onder andere een cognitieve gedragstherapie gevolgd, waarvan het resultaat goed was. In dit verband acht de Raad tevens van belang dat reumatoloog Montnor-Beckers in de brief van 11 april heeft aangegeven dat appellante ondanks conditietraining en begeleiding door de psycholoog fysiek en mentaal zeer beperkt belastbaar blijft en dat SLE een grillige ziekte is. Bezwaarverzekeringsarts Leunisse-Walboomers heeft zelf het dagverhaal van appellante niet kunnen verifiëren omdat zij niet bij de hoorzitting aanwezig is geweest. Voorts heeft deze bezwaarverzekeringsarts wel informatie opgevraagd bij reumatoloog Montnor-Beckers, maar daarbij niet specifiek gevraagd naar het grillige verloop van de ziekte SLE, zoals door appellante herhaaldelijk is genoemd. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Raad onvoldoende gemotiveerd waarom een urenbeperking is aangenomen van ongeveer vier uur per dag, twintig uur per week.

4.2.3. Ten slotte overweegt de Raad dat niet voldoende is gemotiveerd waarom er wel een beperking op het item ‘koude’ is aangenomen en niet op het item ‘hitte’, terwijl appellante heeft geclaimd ook wat betreft hitte beperkt te zijn.

4.3. Gelet op de overwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3 is de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig vastgesteld en ontbeert het bestreden besluit een voldoende draagkrachtige motivering. Gelet hierop dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij dient het Uwv uit te gaan van een maatmanomvang van 40 uur per week, zoals is vermeld in het arbeidskundige rapport van 26 november 2007 in verband met de jurisprudentie van de Raad inzake het niet toegestaan zijn van maximering van de maatman. Daarin is op basis van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functieduiding al geconcludeerd tot een verlies aan verdienvermogen van 65,2%. In dat nieuwe besluit op bezwaar dient het Uwv tevens in te gaan op het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente en de gemaakte kosten in de bezwaarprocedure.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1288,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep en op € 39,34 voor reiskosten in beroep en in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op om, met inachtneming van deze uitspraak van de Raad, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1327,34, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

TM