Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-4567 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen nadere motivering gegeven over het niet van toepassing zijn van een urenbeperking. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4567 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 juni 2007, 06/6103 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 10 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M. Timmermans, advocaat te Tilburg, zich als gemachtigde gesteld en een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft vragen van de Raad beantwoord door overlegging van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders van 25 november 2008. Op een nadere vraagstelling ging deze arts in een rapport van 10 december 2008 in. De gemachtigde van betrokkene reageerde bij brief van 2 februari 2009 op een en ander, waarna het Uwv als reactie een rapport van Lenders van 12 februari 2009 inzond.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2009.

Namens appellant is verschenen drs. C.L. Schuren. Betrokkene is – met kennisgeving – niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was werkzaam als modinette toen zij zich op 25 september 1987 als gevolg van nierklachten en recidiverende blaasontstekingen ziek meldde. Aan betrokkene is met ingang van 24 september 1988 een uitkering op grond van onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk met ingang van

1 december 1994 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij verzekeringsgeneeskundige beoordelingen in de periode vanaf 19 januari 1989 tot en met 23 juli 1999 is steeds het standpunt ingenomen dat halve dagen werkzaamheden voor betrokkene het maximum was.

2. Betrokkene is in het kader van een herbeoordeling op 1 maart 2006 onderzocht door de verzekeringsarts F.P.M. Schlosser. In een rapport van 1 maart 2006 gaf Schlosser de dagelijkse activiteiten van betrokkene in het huishouden weer, vermeldde hij dat betrokkene een bleke en vermoeide indruk maakte en gaf hij aan dat de stemming mat, maar niet sterk somber was. Voorts vermeldde Schlosser dat betrokkene in de gezinssituatie een turbulente periode meemaakte, dat zij daardoor begin 2005 depressief raakte, dat dit verbeterde na gesprekken met de huisarts en medicatie, dat zij begin 2006 de medicatie staakte, waarna zij opnieuw in een depressie raakte, en dat zij sinds twee weken de medicatie weer had hervat, waarna de klachten weer afnamen. Schlosser concludeerde dat nog sprake was van een matige depressie die naar verwachting met enkele weken verder zou verbeteren. Hij achtte betrokkene aangewezen op werk met matige psychische beperkingen en een energetisch verminderde belastbaarheid, maar zag in verband met het dagverhaal geen aanleiding voor een urenbeperking anders dan een lichte beperking tot 8 uur per dag, 40 uur per week en zonder nachtarbeid. Schlosser legde zijn bevindingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 1%. Dienovereenkomstig trok appellant de WAO-uitkering van betrokkene bij besluit van 30 juni 2006 met ingang van 30 augustus 2006 in.

3. In de bezwaarprocedure rapporteerde de in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts Lenders, die niet bij de hoorzitting aanwezig was, op 31 oktober 2006 op basis van dossierstudie. Volgens Lenders was, ondanks het verzoek van betrokkene daartoe, het opvragen van informatie bij de huisarts niet nodig omdat dat niet inzichtelijk zou bijdragen aan de beeldvorming over de actuele belastbaarheid. Lenders gaf verder aan dat voor vaststelling van een substantiële urenbeperking in het verleden nimmer een goed beargumenteerde indicatie bestond en vermeldde dat Schlosser vaststelde dat sprake was van een milde depressie, welke goeddeels in remissie was met een toenemend gunstige invloed van weer hervatte medicatie. Lenders zag al met al geen aanleiding om van de conclusies van Schlosser af te wijken.

Vervolgens verklaarde appellant bij besluit van 2 november 2006 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 30 juni 2006 ongegrond.

4.1 In beroep is namens betrokkene aangevoerd dat haar lichamelijke en psychische klachten zijn onderschat en dat ten onrechte geen urenbeperking is opgenomen. In dit verband wees betrokkene op een verstoord dagverhaal, nu zij nagenoeg niets in het huishouden deed en hulp kreeg van familie. De gemachtigde van betrokkene ontkende in een nadere brief van 14 maart 2007 de juistheid van de weergave van het dagverhaal in het rapport van Schlosser en wees op het door betrokkene ter voorbereiding van de herbeoordeling ingevulde vragenformulier.

4.2. Ter zitting van de rechtbank op 5 april 2007 is namens het Uwv gesteld dat de brief van 14 maart 2007 tegenstrijdig is aan hetgeen Schlosser vermelde en hetgeen door betrokkene op de hoorzitting naar voren is gebracht.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 2 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens gaf de rechtbank beslissingen over vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten.

5.2. De rechtbank oordeelde wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit dat de verzekeringsartsen bij betrokkene niet te geringe beperkingen hebben vastgesteld. Wel sprak de rechtbank haar twijfel uit over het niet van toepassing zijn van een urenbeperking. Daarbij wees de rechtbank op eerder verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarbij wel steeds een urenbeperking aan de orde was en op het feit dat toen de door Schlosser beschreven dagbesteding, welke overigens door betrokkene is weersproken, niet anders was dan bij diens onderzoek. Gelet op een en ander oordeelde de rechtbank dat zonder nadere motivering niet inzichtelijk is hoe Schlosser tot zijn standpunt over de urenbeperking is gekomen, terwijl dit gebrek door Lenders niet is hersteld.

5.3. Gelet op overweging 5.2 oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit was genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zag zij geen aanleiding meer om de arbeidskundige kant van het bestreden besluit nader te bezien.

6.1. In hoger beroep heeft appellant, naar aanleiding van de door de Raad gestelde vragen, nader toegelicht waarom het vragen van nadere informatie bij de huisarts niet voor de hand had gelegen en welke de betekenis van de thuissituatie voor de ontwikkeling, bestendiging of toename van de psychische klachten van betrokkene zou kunnen zijn.

6.2. Van de zijde van betrokkene is nogmaals gewezen op het andere beeld van het dagverhaal dat het vragenformulier geeft in plaats van het rapport van Schlosser.

7.1. De Raad is van oordeel dat door Lenders onvoldoende toegelicht is gebleven waarom hetzij reeds door Schlosser hetzij door hem in de bezwaarprocedure geen informatie aan de huisarts is gevraagd. In dit verband acht de Raad in de eerste plaats van belang dat Lenders de beschrijving door Schlosser van de psychische situatie van betrokkene tijdens diens onderzoek niet geheel juist heeft weergegeven. Schlosser sprak immers van een matige depressie en van een verwachting over het toekomstig beloop, terwijl Lenders aangaf dat Schlosser vaststelde dat sprake was van een milde depressie die al goeddeels in remissie was. Gelet hierop alsmede in aanmerking genomen dat Schlosser aangaf dat in elk geval reeds sinds begin 2005 sprake was van een depressieve toestand en dat deze arts sprak over de behandeling hiervan door de huisarts, had in dit geval het inwinnen van informatie naar het oordeel van de Raad zonder meer in de rede gelegen. Dit spreekt nog te meer, nu er een tijdsverloop van een half jaar is gelegen tussen de datum van het spreekuur van Schlosser en de datum in geding en Lenders niet op de hoorzitting aanwezig is geweest, zodat hij zich niet op basis daarvan een beeld heeft kunnen vormen van de vraag of wellicht een eigen onderzoek aangewezen was geweest.

De Raad acht in dit verband van minder gewicht dat Lenders in zijn rapport van 25 november 2008 opmerkte dat het bezwaarschrift van appellante, dat zijzelf heeft opgesteld, geen reële aanwijzing bevatte voor een andere belastbaarheid op de datum in geding. Nog daargelaten in hoeverre het reeël is om wat betreft de weging van de psychische toestand van een verzekerde en de noodzaak in verband daarmee informatie bij een behandelaar op te vragen doorslaggevende betekenis te hechten aan de bewoordingen van een door die verzekerde zelf opgesteld bezwaarschrift, gaat het bij de vaststelling van de belastbaarheid om de objectivering van daarvoor medisch relevante feiten en omstandigheden, waarvoor informatie van betrokkene het vertrekpunt is en vooral het eigen onderzoek, dat zich wat betreft Lenders alleen heeft beperkt tot dossierstudie, en ter aanvulling hierop de medische informatie van een behandelend arts van betekenis zijn. Dit laatste geldt te meer in een situatie als de onderhavige, waarin ten tijde van het onderzoek van Schlosser de behandeling nog niet was afgerond.

7.2. Het overwogene in 7.1 brengt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ