Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0906

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-6149 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, inhoudende herziening WAO-uitkering. Beperkte toetsing. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Geen plaats voor onderzoek medisch deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6149 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 24 september 2007, 06/1283 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.P.T.G. Flos, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het geschil is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 februari 2009. Geen van partijen is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellant is bij besluit van 20 november 2000 per 21 november 2000 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend. Die mate is bij besluit van 22 mei 2001 per 21 juli 2001 herzien naar 45-55% en bij besluit van 14 januari 2002 per 10 januari 2002 herzien naar 55-65%. Bij besluit op bezwaar van

23 mei 2002 zijn appellants bezwaren tegen die beide herzieningsbesluiten ongegrond verklaard. Tegen dat besluit op bezwaar heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

2.1. Op 22 november 2002 heeft appellant het Uwv verzocht terug te komen van het besluit op bezwaar van 23 mei 2002, zulks onder overlegging van een verslag van M.W. van Essen, arts bij het Nederlands RSI Instituut te Leusden, van 23 september 2002. Deze arts is daarin gekomen tot de conclusie dat er bij appellant sprake is van RSI welke - naar de vrijwel zeker juiste veronderstelling van appellants advocaat - vermoedelijk het gevolg is van de omstandigheden waaronder appellant (tot aan zijn uitval op 23 november 1999) heeft gewerkt als operator in ploegendienst.

Het Uwv heeft bij besluit van 4 september 2003 dit verzoek afgewezen onder overweging dat de conclusie van Van Essen niet als nieuw gebleken feit kan worden opgevat en bij besluit van 27 november 2003 appellants bezwaar tegen die afwijzing ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 juni 2004 appellants beroep tegen dat besluit op bezwaar gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van haar uitspraak te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat enkele van de door Van Essen in diens rapport vermelde klachten van appellant door het Uwv niet zijn meegenomen in de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid, dat het daarbij naar haar - ter zitting door het Uwv onderschreven - oordeel gaat om nieuwe feiten en dat zij het Uwv niet kan volgen in diens ter zitting betrokken stelling dat deze nieuwe feiten geen nieuw licht werpen op de genomen beslissing.

2.3. Bij uitspraak van 20 september 2006 heeft de Raad de door het Uwv aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daartoe heeft de Raad - kort samengevat - overwogen dat het feit dat (anders dan tot dan) door een arts (Van Essen) is vastgesteld dat sprake is van RSI een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is en dat de zorgvuldigheid vereist dat een (bezwaar-)verzekeringsarts het rapport van Van Essen beoordeelt en beziet of en (alsdan) in hoeverre de inhoud ervan aanleiding geeft tot het aannemen van meer beperkingen.

3. Bij nieuw besluit op bezwaar van 18 oktober 2006 heeft het Uwv wederom appellants bezwaar (tegen het besluit van 4 september 2003 tot weigering terug te komen van het besluit op bezwaar van 23 mei 2002) ongegrond verklaard, zulks op grond van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.T.J.A. Klijn van 11 oktober 2006. Deze heeft daarin vermeld dat uit de rapporten van de verzekeringsarts J. de Lange van 3 oktober 2000 en 20 maart 2001 blijkt dat hij bij lichamelijk onderzoek afwijkingen ten aanzien van de nek en schoudergordel heeft geconstateerd en hij deze afwijkingen en appellants klachten ook in de anamnese heeft opgenomen. Vergelijking van deze gegevens met het rapport van Van Essen van 23 september 2002 leidt tot de conclusie dat sprake is van gelijkaardige gegevens, ook al zijn deze anders geformuleerd. De Lange was dus bekend met afwijkingen ter hoogte van de nek en schoudergordel en heeft daarvoor beperkingen ten aanzien van arbeid aangenomen. De diagnose waaronder de afwijkingen worden geclassificeerd is voor het vaststellen van zodanige beperkingen van secundair belang.

4. In beroep tegen dat nieuwe besluit op bezwaar heeft appellant een van 14 december 2006 daterend rapport van Van Essen (inmiddels niet meer als arts werkzaam bij het Nederlands RSI Instituut) met daarin een reactie op het rapport van Klijn van 11 oktober 2006 ingebracht.

Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep ongegrond verklaard, van oordeel dat appellant met die reactie van Van Essen niet aannemelijk heeft gemaakt dat er alsnog reden is om extra beperkingen aan te nemen ten aanzien van de arbeid waarvoor appellant eerder geschikt is geacht en dat het Uwv dan ook geen reden heeft behoeven te zien om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit op bezwaar van 23 mei 2002.

5. In hoger beroep heeft appellant een van 3 november 2007 daterend rapport van Van Essen met daarin commentaar op de aangevallen uitspraak ingebracht. Daarin heeft het Uwv geen aanleiding gezien tot het innemen van een ander standpunt.

In reactie op een vraag van de Raad heeft Klijn op 5 januari 2009 een rapport uitgebracht met als conclusie dat met het door De Lange aannemen van een forse beperking voor bovenhands werken - dat beter dan reiken aansluit bij de uitgevoerde inspanningstest - voldoende rekening is gehouden met appellants functieproblematiek, zodat er geen aanleiding is om bijkomende beperkingen aan te nemen.

Bij op 10 februari 2009 bij de Raad ingekomen brief van 9 februari 2009 heeft appellant nog een reactie van Van Essen op het rapport van Klijn van 5 januari 2009 ingebracht, maar de Raad laat die reactie buiten beschouwing, reeds omdat die is binnen gekomen binnen de termijn van tien dagen voor de zitting (artikel 8:58, eerste lid, van de Awb) van 13 februari 2009 waarop geen van partijen is verschenen.

6. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden om te komen tot een ander oordeel dan door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak is gegeven.

Bij zijn uitspraak van 20 september 2006 heeft de Raad niet meer of anders vastgesteld dan dat de vaststelling door een arts (Van Essen) dat sprake is van RSI een nieuw feit is en dat de zorgvuldigheid vereist dat een (bezwaar-)verzekeringsarts het rapport van Van Essen (van 23 september 2002) beoordeelt. Daarmee is niet gezegd en ook niet bedoeld te zeggen dat vanwege het Uwv in dat rapport van Van Essen aanleiding zal moeten worden gezien om meer en/of ernstiger beperkingen dan eerder vastgesteld aan te nemen.

In het (specifieke en beperkte) kader van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit ligt het op de weg van de verzoeker om uiterlijk voordat in bezwaar op dat verzoek wordt beslist aan te tonen dat al dan niet mede op grond van met name dat nieuw gebleken feit meer en/of ernstiger beperkingen hadden en alsnog zullen moeten worden aangenomen. Daarbij past niet het door de bestuursrechter inschakelen van een medisch specialist in een poging meer en beter inzicht te verkrijgen; het nieuw gebleken feit zal op zichzelf bezien overtuigend moeten zijn.

De wederzijdse artsen zijn het niet met elkaar eens. Gegeven dat wat de afwijkingen in de nek en schoudergordel betreft in de het belastbaarheidspatroon reeds forse beperkingen voor bovenhands werken waren aangenomen, is appellant er met de diagnose RSI als nieuw gebleken feit niet in geslaagd te overtuigen dat zijn mogelijkheden tot het verrichten van arbeid zijn overschat; de diagnose (RSI) is wat het vaststellen van beperkingen betreft inderdaad van niet meer dan secundair belang.

Indien er voor zover Van Essen in zijn rapporten/brieven van 14 december 2006 en/of later nog nieuwe gegevens heeft vermeld, kan - zoals hiervoor reeds is opgemerkt - daarmee in het thans aanhangige kader geen rekening worden gehouden.

7. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) J.M. Tason Avila.

JL