Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0891

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-2582 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bezwaar ingediend tegen de eerder afwijzing van de aanvraag kinderbijslag. Toekenning kinderbijslag met terugwerkende kracht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2582 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 maart 2007, 06/4547 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 26 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Svb heeft van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en de Svb als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Eiser is op 18 mei 2002 gaan samenwonen met mevrouw [Partner]. Op 2 juli 2003 is mevrouw [Partner] bevallen van een dochter, [S.]. Bij aanvraag van 5 augustus 2003 heeft eiser verzocht om een uitkering ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Bij besluit van 5 maart 2004 heeft verweerder onder meer besloten dat eiser geen recht op kinderbijslag heeft voor [S.], omdat zij niet op eisers adres staat ingeschreven. Verweerder heeft daarbij vermeld dat eiser mogelijk recht heeft op kinderbijslag als [S.] in de toekomst wel bij hem staat ingeschreven. Daarvoor kan hij dan een nieuwe aanvraag bij verweerder indienen.

Tegen het besluit van 5 maart 2004 heeft eiser geen bezwaarschrift ingediend.

Op 25 april 2004 heeft mevrouw [Partner] haar verblijfsstatus hier te lande verkregen, op 4 mei 2005 heeft eiser [S.] officieel als zijn dochter erkend, op 26 mei 2005 is de gezagswijziging met betrekking tot [S.] overgeschreven in het daartoe bestemde register en op 15 september 2005 is [S.] in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Breda ingeschreven op het adres van eiser.

Bij brief van 15 februari 2006 heeft eiser verzocht om toekenning van kinderbijslag voor [S.].

Bij (primair) besluit van 8 mei 2006 heeft verweerder eiser - voor zover hier van belang - met ingang van het vierde kwartaal van 2005 enkelvoudige kinderbijslag toegekend voor [S.], omdat zij jonger is dan 16 jaar en thuis woont.

Bij brief van 12 mei 2006 heeft eiser bezwaar aangetekend.

Bij brieven van 24 mei 2006 en 9 juni 2006 heeft verweerder eiser vervolgens verzocht informatie te verschaffen.

Bij het bestreden besluit van 31 juli 2006 heeft verweerder de bezwaren van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit van 8 mei 2006 ingetrokken en een nieuwe beslissing daarvoor in de plaats gesteld. In deze nieuwe beslissing heeft verweerder eiser kinderbijslag toegekend voor [S.] over het tweede kwartaal 2004 tot en met het derde kwartaal van 2005, onder de vermelding dat eiser over het vierde kwartaal van 2003 en het eerste kwartaal van 2004 voor [S.] geen recht op kinderbijslag heeft.

2.2. Eiser heeft in beroep - samengevat - aangevoerd dat hij zijn dochter direct na de geboorte bij de gemeente Breda heeft laten inschrijven op zijn adres en dat hij daarom recht heeft op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal na de geboorte van [S.].”.

1.2. Vervolgens heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

“De in deze procedure aan de orde zijnde aanvraag dateert van 15 februari 2006. Op grond van het beleid van verweerder, dat volgens vaste jurisprudentie als niet onredelijk wordt aangemerkt, is het niet mogelijk meer dan een jaar terug te gaan bij het toekennen van kinderbijslag, tenzij sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 14, derde lid, van de AKW. Verweerder heeft in zijn beleidsregels neergelegd wanneer sprake is van een bijzonder geval en hij bevoegd is de kinderbijslag met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Dit is het geval:

- indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;

- indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op kinderbijslag én deze onbekendheid verschoonbaar was.

Wanneer er volgens de hierboven aangeduide criteria sprake is van een bijzonder geval, dient verweerder vervolgens te beoordelen of hij gebruik zal maken van zijn bevoegdheid de kinderbijslag met terugwerkende kracht van meer dan een jaar toe te kennen. Verweerder maakt gebruik van deze bevoegdheid wanneer het van hardheid zou getuigen te volstaan met een terugwerkende kracht van een jaar.

Eiser heeft voor het eerst reeds in augustus 2003 ten behoeve van [S.] kinderbijslag aangevraagd. Bij besluit van 5 maart 2004 heeft verweerder dat verzoek afgewezen. Daartegen is geen bezwaar aangetekend. Dat besluit is daarmee inmiddels in rechte onaantastbaar geworden. Uit het vorenstaande blijkt genoegzaam dat eiser bekend was met het mogelijke recht op kinderbijslag en dat hij tijdig in staat is geweest een aanvraag om kinderbijslag in te dienen. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval en dat op grond daarvan de hardheidstoets niet aan de orde was.

2.5. De aan de rechtbank voorliggende vraag of verweerder terecht kinderbijslag voor [S.] heeft toegekend met terugwerkende kracht vanaf het tweede kwartaal van 2004, dient - gelet op het voorgaande - bevestigend te worden beantwoord. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.”.

2.1. In hoger beroep heeft appellant de in eerste aanleg aangevoerde gronden in essentie herhaald.

3.1. De Raad oordeelt als volgt.

3.2. De Raad kan zich geheel vinden in de uitspraak van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel.

3.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

4. De Raad is van oordeel dat er geen grond bestaat om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M. Pijper.

IJ