Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0884

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
08-3917 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring van het beroep. Het verschuldigde griffierecht is niet betaald. Het verzuim is niet hersteld binnen de hersteltermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3917 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2008, 06/2003 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 26 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Svb heeft van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C.J. van de Nes.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en de Svb als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Bij uitspraak van 3 november 2006 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van eiser, gericht tegen het besluit van verweerder van 6 december 2004 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet tijdig is betaald.

Bij uitspraak van 12 juli 2007 heeft de rechtbank het door eiser ingediende verzet gegrond verklaard, omdat eiser niet in de gelegenheid is gesteld aan te geven wat de redenen voor het verzuim zijn. Het onderzoek is daarna voortgezet in de stand waarin het zich bevond.”.

1.2. Vervolgens heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

“Ingevolge artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is de indiener van het beroepschrift een griffierecht verschuldigd. In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het verschuldigde bedrag niet is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie is gestort binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de griffier op de verschuldigdheid daarvan heeft gewezen. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

Bij brief van 18 april 2006 heeft de griffier eiser in kennis gesteld van de hoogte van het verschuldigde griffierecht en hem in de gelegenheid gesteld het verschuldigde bedrag te voldoen binnen een termijn van vier weken, gerekend vanaf de dag volgende op die waarop bovenbedoelde brief is verzonden. Deze termijn is verstreken zonder dat het griffierecht is ontvangen. Per aangetekende brief van 30 mei 2006 heeft de griffier eiser uitgenodigd dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Ook deze termijn is verstreken zonder dat het griffierecht is ontvangen.

Eiser heeft bij verzetschrift van 15 november 2006 aangevoerd dat hij het griffierecht wel heeft betaald. Bij brief van 13 maart 2007 heeft eiser nogmaals aangevoerd dat hij het griffierecht heeft betaald. Hij heeft echter geen bewijsstukken daarvan overgelegd Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”.

2.1. In hoger beroep heeft appellant de in eerste aanleg aangevoerde gronden in essentie herhaald.

2.2. De Svb heeft in verweer volstaan met te verwijzen naar de gronden van waarop het bestreden besluit rust, bezien in samenhang met de onderliggende gedingstukken. Verzocht wordt om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

3.1. De Raad oordeelt als volgt.

3.2. De Raad kan zich geheel vinden in de uitspraak van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel.

3.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

4. De Raad is van oordeel dat er geen grond bestaat om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M. Pijper.

NW