Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
07-5780 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De in het bestreden besluit uiteindelijk ten grondslag gelegde functies zijn vanuit medisch opzicht geschikt te achten voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5780 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 augustus 2007, 07/418 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.P.G. Wiertz, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 20 november 2007.

De gemachtigde van appellant heeft nog een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2009.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als conciërge toen hij zich met ingang van 18 maart 2004 ziek meldde met prostaat- en psychische klachten.

1.2. Appellant is op 3 en 24 maart 2006 onderzocht door de arts M.E. Wassenaar in het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Wassenaar had de beschikking over informatie van de huisarts van 13 maart 2006 en van Altrecht geestelijke gezondheidszorg van 24 februari 2005, waarin sprake was van een lichte depressieve stoornis. Wassenaar gaf in haar rapport van 24 maart 2006 aan dat appellant bij haar onderzoek een gespannen indruk maakte, dat aandacht en concentratie goed waren en dat appellant niet duidelijk ernstig depressief was. Zij formuleerde bij het stellen van de diagnose depressieve stoornis een aantal beperkingen, welke zij vastlegde in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat appellant geschikt was voor het eigen werk en een aantal geselecteerde functies, waarbij het verlies aan verdienvermogen minder dan 35% was. Dienovereenkomstig weigerde het Uwv bij besluit van 6 juli 2006 met ingang van 16 maart 2006 aan appellant een Wet-WIA-uitkering

1.3. In de bezwaarprocedure kreeg de in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts Admiraal de beschikking over nadere informatie van de huisarts van 26 juni 2006 en de behandelende psychiater van Altrecht van 16 november 2006. Deze psychiater gaf aan dat hij appellant vanaf maart 2006 driemaal had gezien en dat op 30 augustus 2006 wederzijdse overeenstemming werd bereikt over het feit dat langer durende behandeling niet nodig was. Admiraal zag volgens zijn rapport van 8 december 2006 geen aanleiding voor een ander oordeel dan Wassenaar. De bezwaararbeidsdeskundige J. Den Hartog gaf bij de geduide functies nog een nadere toelichting op de reeds bij het arbeidskundig onderzoek verstrekte toelichting. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 11 januari 2007 het tegen het besluit van 6 juli 2006 gemaakte bezwaar ongegrond. Daarbij werd niet meer geduid op geschiktheid van appellant voor zijn eigen werk.

2.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 11 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

2.2. De rechtbank onderschreef – kort gezegd – de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. In hoger beroep herhaalde de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte gronden en argumenten, welke er in hoofdzaak op neerkwamen dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten.

4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad merkt daarbij op dat, anders dan namens appellant in hoger beroep is gesteld, er geen aanleiding was voor Wassenaar om in de FML een beperking voor concentratieverlies op te nemen, nu bij haar onderzoek van een zodanig verlies niet was gebleken en ook de informatie van Altrecht niet daarop wees. Voorts valt uit de in overweging 1.3 vermelde informatie van de behandelaar van Altrecht niet af te leiden dat de behandeling aldaar is gestopt om reden dat, zoals namens appellant in beroep is aangevoerd, van die behandeling geen verdere verbetering werd verwacht. Ten slotte leidt de namens appellant overgelegde brief van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug van 30 juni 2008, waarin sprake is van een medisch advies van 3 oktober 2007 volgens welke appellant chronische psychiatrische problematiek heeft waardoor hij niet tot arbeid in staat wordt geacht en ontheven is van de arbeidsverplichting in verband met het genieten van een bijstandsuitkering, de Raad reeds niet tot een ander oordeel omdat bij deze brief het daarin vermelde medisch advies niet is overgelegd.

4.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit laat de Raad, mede gelet op het daartegen namens appellant geuite bezwaar, daar of, zoals namens het Uwv ter zitting is gesteld, aan het bestreden besluit moet worden geacht tevens ten grondslag te liggen de opvatting van het Uwv dat appellant ook geschikt is voor zijn eigen werk bij een andere werkgever. De Raad is in elk geval met de rechtbank van oordeel dat de aan het bestreden besluit uiteindelijk ten grondslag gelegde functies als voor appellant medisch geschikt moeten worden geacht en dat dit in de arbeidskundige rapporten van 24 mei 2006 en 8 januari 2007 uitvoerig en toereikend is gemotiveerd.

5. Het overwogene in 4.1 en 4.2 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

JL