Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0588

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
07/7182 WWB + 08/2364 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige intrekking van uitkering. Verzoek om schadevergoeding: Incassokosten en kosten verband houdende met de beëindiging van de ziekenfondsverzekering.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 29
Algemene bijstandswet 30
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Ziekenfondswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 119
AB 2009, 225
NJB 2009, 1108
BA 2009/108
USZ 2009/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

07/7182 WWB

08/2364 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 november 2007, 07/1605 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 7 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2009 waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, en waar betrokkene zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. A. den Arend, advocaat te Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 8 december 2003 heeft appellant de bijstand met ingang van 1 november 2003 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 15 september 2004 heeft appellant het besluit van 8 december 2003 ingetrokken. De uitkering over de maanden november tot en met december 2003 en januari tot en met augustus 2004 - een bedrag van € 10.970,16 - is op 28 september 2004 nabetaald. Bij brief van 7 maart 2005 heeft betrokkene om schadevergoeding gevraagd voor een bedrag van € 1.161,23 in verband met de door hem geleden schade als gevolg van de intrekking van de bijstand per 1 november 2003. Deze schade bestaat uit incassokosten ten bedrage van € 742,82 en uit, zo begrijpt de Raad, kosten verband houdende met de beëindiging van de ziekenfondsverzekering ten bedrage van € 418,41.

Bij besluit van 23 maart 2005 heeft appellant aan betrokkene een schadevergoeding toegekend ten bedrage van € 199,94 bestaande uit de wettelijke rente over de te laat betaalde uitkering.

1.2. Bij besluit van 13 maart 2007 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant overwogen dat de schade voortvloeit uit de vertraagde betaling van een geldsom en dat de schade die daaruit voortvloeit wordt genormeerd door de wettelijke rente. Er is naar het oordeel van appellant geen grond voor volledige vergoeding van de gestelde werkelijk geleden schade.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 13 maart 2007 ingestelde beroep, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2002 (LJN AE8893) onder meer overwogen dat de schadeoorzaak is gelegen in de beëindiging van de uitkering en niet in de vertraging in de uitbetaling van een geldsom. Tevens heeft de rechtbank appellant opgedragen om bij het nieuwe besluit op bezwaar in te gaan op het verzoek van betrokkene om vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit 14 maart 2008, het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2005 gegrond verklaard, dit besluit herroepen en aan betrokkene alsnog een bedrag van € 1.161,23 aan schadevergoeding toegekend, naast de reeds toegekende wettelijke rente, vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 1.161,23 vanaf 7 maart 2005. Daarbij is, voor zover van belang, aangegeven dat dit besluit een voorlopig karakter heeft totdat in hoger beroep is beslist. Voorts heeft appellant aan betrokkene een vergoeding toegekend in de kosten van de bezwaarprocedure tot een bedrag van € 644,--.

3.2. Bij besluit van 2 september 2008 heeft appellant voorts een bedrag van € 1.800,-- toegekend voor de vergoeding van immateriële schade vanwege de langdurige behandeling van het bezwaarschrift, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.800,-- vanaf de datum van dit besluit tot aan de dag van betaling en het anders en meer gevraagde ter zake van immateriële schade afgewezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat, gelet op hetgeen ter zitting van de Raad is gesteld, tussen partijen niet meer in geschil is de vergoeding van immateriële schade. Voorts stelt de Raad vast dat tussen partijen evenmin in geschil is dat betrokkene in beginsel aanspraak kan maken op schadevergoeding als gevolg van de intrekking van de bijstand met ingang van 1 november 2003.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, dient in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht, waarbij in het bijzonder van belang is de jurisprudentie van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van onrechtmatige overheidsbesluiten.

4.3. Anders dan in de reeds genoemde uitspraak van 13 augustus 2002 (LJN AE8893) is de Raad van oordeel dat (ook) de gevolgen van een onrechtmatige intrekking van een uitkering in beginsel zijn terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van de uitkering, althans voor zover het gaat om kosten die gemaakt zijn als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die intrekking. Met appellant en anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het verzoek van betrokkene om veroordeling van appellant tot vergoeding van de incassokosten die hem in het kader van achterstallige betaling van onder meer huur en energie in rekening zijn gebracht betrekking heeft op vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom.

4.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen normeert artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de omvang en duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. De Raad verwijst in dit verband nog naar het - op artikel 1286 BW (oud) betrekking hebbende - arrest van de Hoge Raad van 2 november 1990

(LJN AB 8154).

4.5. Een en ander brengt mee dat er in dit geval voor zelfstandige vergoeding van de uit de vertraagde betaling van de bijstand, voortgevloeide incassokosten, geen plaats is. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

4.6. Niettemin kan het besluit van 13 maart 2007 geen stand houden voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van de vergoeding van de kosten verband houdende met de beëindiging van de ziekenfondsverzekering. Deze kosten vloeien naar het oordeel van de Raad niet voort uit het door de intrekking van de uitkering voortvloeiende gemis aan inkomsten, maar uit de als gevolg van de intrekking van rechtswege ontstane wijziging van de status van uitkeringsgerechtigde in niet-uitkeringsgerechtigde. De Raad verwijst hierbij naar artikel 3, eerste lid, aanhef en letter x, onder 1, van de toenmalige Ziekenfondswet waarin, voor zover van belang, is bepaald dat verzekerd is degene die algemene bijstand ontvangt met toepassing van de artikelen 29 of 30 van de Algemene bijstandswet.

4.7 Gelet op hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking voor zover het besluit van 13 maart 2007 is vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om vergoeding van incassokosten.

4.8. Uit het vorenstaande volgt tevens dat aan het besluit van 14 maart 2008 gedeeltelijk de grondslag is komen te ontvallen. De Raad zal dit besluit vernietigen voor zover in het bedrag van € 1.161,23 is begrepen een vergoeding van incassokosten ten bedrage van € 742,82 en het bedrag van de schadevergoeding - exclusief de wettelijke rente - vaststellen op € 418,41.

4.9. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 13 maart 2007 is vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om vergoeding van incassokosten;

Vernietigt het besluit van 14 maart 2008 voor zover in het bedrag van € 1.161,23 een vergoeding van incassokosten ten bedrage van € 742,82 is begrepen;

Stelt het bedrag van de schadevergoeding - exclusief wettelijke rente - vast op € 418,41;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Rotterdam.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M. Pijper.

IA