Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
08/5020 WAO, 08/5022 WAZ, 08/5023 WAO, 08/5024 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO- en WAZ-uitkering. Appellante wordt in staat geacht althans een voorlopige jaarrekening in te dienen. Niet gebleken dat appellante het Uwv (inmiddels) de door het Uwv gevraagde voorlopige gegevens heeft gezonden noch dat zij ten tijde hier van belang als gevolg van haar psychische klachten niet in staat was haar belangen adequaat te behartigen. Geen dringende reden af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5020 WAO, 08/5022 WAZ, 08/5023 WAO, 08/5024 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 juli 2008, 07/1890, 08/68, 08/69 en 08/70 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2009. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2.1. Bij uitspraak van 20 juni 2007 heeft de Raad geoordeeld over twee uitspraken van de rechtbank ten aanzien van appellante door het Uwv genomen besluiten, inhoudende, voor zover hier van belang:

- intrekking van de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met ingang van 1 januari 2001, - terugvordering van de aan appellante (onverschuldigd) betaalde uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de WAZ over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2003 ad € 44.111,39 en - verhoging van dit bedrag plus een al eerder teruggevorderd bedrag aan WAO-uitkering ad € 2.092,79 (in totaal € 46.204,18) met de wettelijke rente en de invorderingskosten.

2.2. De Raad heeft in zijn uitspraak van 20 juni 2007 de intrekking en de terugvordering van de WAZ-uitkering in stand gelaten, de terugvordering van de WAO-uitkering vernietigd omdat daaraan geen intrekkingsbesluit ten grondslag lag en de verhoging vernietigd voor zover betrekking hebbend op de teruggevorderde WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2003.

3. Het Uwv heeft daarop de volgende besluiten genomen:

- bij besluit op bezwaar van 29 november 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 16 juli 2007 waarbij de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2001 is ingetrokken;

- bij besluit van 17 juli 2007 heeft het Uwv zijn besluit van 14 april 2004 herroepen en een bedrag van € 19.742,16 aan teveel betaalde WAO-uitkering van appellante teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 30 november 2007 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 juli 2007 ongegrond verklaard;

- bij besluit van 17 juli 2007 heeft het Uwv zijn besluit van 14 april 2004 herroepen en een bedrag van € 24.369,27 aan teveel betaalde WAZ-uitkering van appellante teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 30 november 2007 (hierna: bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 juli 2007 ongegrond verklaard;

- bij besluit op bezwaar van 29 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit 4) heeft het Uwv zijn besluit van 29 april 2005 herzien, in die zin dat het van appellante teruggevorderde bedrag aan onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering ten bedrage van € 24.369,23 (lees € 24.369,27) en het reeds eerder teruggevorderde bedrag ad € 2.092,79 wordt verhoogd met een bedrag ad € 1.044,54 aan wettelijke rente en € 681,- aan invorderingskosten.

4. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 4 heeft de rechtbank gegrond verklaard omdat dat besluit een onvolledig wettelijk kader bevat, nu daarin de van toepassing zijnde artikelen van de WAO ontbreken. De rechtbank heeft aanleiding gezien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten, en bepaald dat het Uwv het door appellante in de procedure over bestreden besluit 4 betaalde griffierecht aan haar dient te vergoeden.

5. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij heeft gedaan wat in haar vermogen lag om de benodigde gegevens aan het Uwv te verstrekken en dat zij door overmacht niet in staat is aan de inlichtingenplicht te voldoen. Er loopt nog een mediation traject met de Belastingdienst om uit de problemen te komen met alle betrokken instanties. Appellante heeft een brief van haar accountant-administratieconsulent van 17 maart 2008 overgelegd waarin deze verklaart dat hij de jaarstukken over de jaren 2000 tot en met heden niet kan afronden vanwege de discussie die er nog is met de Belastingdienst rondom het boekenonderzoek. Tevens verklaart deze geen werkzaamheden meer voor appellante te verrichten in verband met betalingsachterstand. Appellante heeft voorts een brief van haar behandelend psychiater van 20 februari 2008 met informatie over haar psychische klachten in het geding gebracht. De nadere brief van appellante van 14 februari 2009, ingekomen op 23 februari 2009, zal de Raad niet in zijn oordeelsvorming betrekken, nu deze in strijd met de in artikel 8:58 van de Awb gestelde termijn voor het indienen van stukken, dat wil zeggen te kort voor de zitting, is ingediend.

6. Het Uwv stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat appellante geen andere argumenten naar voren brengt dan die welke reeds in de eerdere hoger beroepsprocedure en daarna in bezwaar en beroep naar voren zijn gebracht en verzoekt om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

7.1. De Raad overweegt dat hetgeen appellante in dit geding heeft aangevoerd hem niet tot een ander oordeel brengt over de intrekking van de WAO-uitkering dan het oordeel in zijn uitspraak van 20 juni 2007 over de intrekking van de WAZ-uitkering. Ook hier geldt dat niet valt in te zien dat appellante niet in staat zou zijn geweest althans een voorlopige jaarrekening in te dienen. Het is de Raad niet gebleken dat appellante het Uwv (inmiddels) de door het Uwv gevraagde voorlopige gegevens heeft gezonden noch dat zij ten tijde hier van belang als gevolg van haar psychische klachten niet in staat was haar belangen adequaat te behartigen. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 dan ook terecht ongegrond verklaard.

7.2. Gelet op de eerdergenoemde uitspraak van de Raad en het onder 7.1 overwogene staat vast dat de WAO-uitkering en de WAZ-uitkering met ingang van 1 januari 2001 onverschuldigd zijn betaald. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 20 juni 2007 heeft overwogen was het Uwv gehouden de onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering terug te vorderen en was er geen sprake van een dringende reden om af te zien van terugvordering. Dezelfde overwegingen gelden ten aanzien van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep tegen bestreden besluit 2 en bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

7.3. Het Uwv heeft de hoogte van het bedrag waarover de wettelijke rente is berekend aangepast in die zin dat de verhoging niet wordt berekend over de teruggevorderde WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2003. De invorderingskosten zijn hetzelfde gebleven. De Raad verwijst ook hier naar zijn uitspraak van 20 juni 2007. Op grond van dezelfde overwegingen als die welke ten grondslag liggen aan het oordeel van de Raad over de verhoging met de wettelijke rente en de invorderingskosten, is de Raad van oordeel dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 4 in stand heeft gelaten.

7.4. Uit hetgeen de Raad onder 7.1 tot en met 7.3 heeft overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook bevestigen.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM