Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
08/420 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Onroerend goed. Betrokkene beschikte gedurende de gehele in geding zijnde periode of kon redelijkerwijs beschikken over vermogen dat lag boven de in die periode toepasselijke vermogensgrens, zodat daarin een beletsel voor bijstandsverlening is gelegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/420 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 december 2007, 07/1967 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene), wonende te [woonplaats]

en

appellant

Datum uitspraak: 31 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2009. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met reg. nrs. 07/3375 en 07/3376. Appellant heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Voor betrokkene is verschenen mr. Gulickx. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving bijstand als aanvulling op haar ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande van 65 jaar of ouder. Bij besluit van 4 februari 2005 - voor zover van belang - heeft appellant de norm waarnaar de uitkering van betrokkene werd berekend met ingang van 1 april 2003 gewijzigd, aan haar en [naam partner] gezamenlijk met ingang van die datum een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor gehuwden van 65 jaar of ouder met een partner jonger dan 65 jaar en bepaald dat daarop het AOW-pensioen inclusief de toeslag van betrokkene volledig in mindering wordt gebracht.

1.2. Naar aanleiding van de vermelding op het paspoort van betrokkene van het adres [adres] [plaatsnaam], is door de Afdeling Fraudebestrijding van de Vakdirectie Sociale zaken onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In het kader daarvan is door het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat onderzocht of betrokkene over vermogen in Marokko beschikt. Voorts is dossieronderzoek gedaan en is betrokkene gehoord. De bevindingen van de ambassade en van de Afdeling Fraudebestrijding zijn neergelegd in respectievelijk een taxatierapport van 12 oktober 2005 en in een rapport van 11 april 2006. Op grond van de resultaten van deze onderzoeken heeft appellant bij besluit van 24 januari 2007 de bijstand van betrokkene over de periode van 1 juli 1997 tot 1 april 2006 herzien (lees: ingetrokken), en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 24.279,84 van betrokkene teruggevorderd. Daarbij heeft appellant overwogen dat betrokkene over een vermogen beschikt dat de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt en dat zij dit vermogen voor hem heeft verzwegen.

1.3. Bij besluit van 16 maart 2007 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van

24 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 16 maart 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant zich weliswaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene ten tijde in geding eigenaar was van de betreffende onroerende zaak, doch dat betrokkene niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat zij niet wist noch kon weten dat zij mede-eigenaar van de onroerende zaak was.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat betrokkene wel op de hoogte was, dan wel moet zijn geweest van de mede-eigendom van de betreffende onroerende zaak en dat zij derhalve de inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan geen mededeling te doen aan appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat betrokkene ten tijde in geding voor 50% eigenaar was van een pand te [plaatsnaam] dat onder eigendomstitel [nummer] staat geregistreerd. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene niet aan de hand van stukken of anderszins aangetoond dat het pand ten tijde in geding niet voor de helft tot haar vermogen gerekend kon worden en dat zij daarover niet redelijkerwijs kon beschikken.

4.2. Appellant heeft de vermogensvaststelling van het betreffende pand doen steunen op het taxatierapport van makelaar Mohamed Maaroef van 12 oktober 2005. Hij heeft de waarde van het pand in oktober 2005 bepaald op MAD 572.000,--, door appellant omgerekend tot een bedrag van € 57.000,-- en de waarde in 1997 gesteld op MAD 510.000,--. Betrokkene heeft de waarde van het pand niet bestreden. De Raad stelt verder vast dat uitgaande van de helft van de waarde van het pand, het vermogen gedurende de periode in geding boven het voor betrokkene geldende vrij te laten vermogen ligt. De Raad is voorts niet gebleken dat ten tijde hier in geding sprake was van negatieve vermogensbestanddelen.

4.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat betrokkene gedurende de gehele in geding zijnde periode beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over vermogen dat lag boven de in die periode toepasselijke vermogensgrens, zodat daarin een beletsel voor bijstandsverlening is gelegen.

4.4. Partijen verschillen van mening of betrokkene in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende inlichtingenverplichting. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene op de hoogte was, dan wel redelijkerwijs kon zijn van het eigendom van de betreffende onroerende zaak. De stelling van betrokkene dat zij niet op de hoogte was van het eigendom acht de Raad niet geloofwaardig. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene acht dagen voor de aankoop van het betreffende pand betrokken was bij de verkoop van een ander pand waarvan zij en haar zoon ieder voor de helft eigenaar waren. Voorts heeft betrokkene op geen enkele wijze haar stelling met objectieve gegevens onderbouwd. De verklaring van de zoon van betrokkene van 20 juni 2006 dat hij het pand buiten haar medeweten mede op haar naam heeft geschreven kan naar het oordeel van de Raad niet als zodanig worden beschouwd. Anders dan de rechtbank trekt de Raad uit het niet opleggen van een maatregel door appellant niet de conclusie dat appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene onwetend was omtrent het eigendom, reeds omdat van het opleggen van een maatregel is afgezien op grond van persoonlijke omstandigheden van betrokkene.

4.5. In het voorgaande ligt besloten dat appellant bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode in geding. Appellant heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels. In hetgeen door betrokkene is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van intrekking had moeten afzien.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat appellant bevoegd was om de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 april 2006 terug te vorderen. Appellant heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van terugvordering had moeten afzien.

4.7. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA