Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0371

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
07-6790 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek. Geen redenen aanwezig om verdergaande of andere medische beperkingen aan te nemen. Geen aanleiding om onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen. Voldoende onderbouwd dat appellante in staat was de voorgehouden functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6790 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 oktober 2007, 06/8023 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C.G. van der Sman, werkzaam bij Klaverblad Rechtsbijstand Stichting te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Sman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is werkzaam geweest als telefoniste/receptioniste voor 39 uur per week. Op 12 januari 2004 is zij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens rugklachten. Op 5 december 2005 is appellante onderzocht door een adviserend arts naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Er zijn medische beperkingen aangenomen in verband met de bij appellante bestaande rugklachten. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 december 2005. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige op 23 februari 2006 gerapporteerd dat appellante geschikt was voor de maatgevende arbeid van telefoniste/receptioniste. Volgens de arbeidsdeskundige was appellante daarnaast geschikt voor een aantal functies uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en bedroeg de mate van arbeidsongeschiktheid, gezien de aan deze functies te ontlenen loonwaarde, minder dan 35%. Bij besluit van 24 februari 2006 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 9 januari 2006 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen.

1.2. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Na nader onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige is het bezwaar bij besluit van 12 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat er geen aanleiding is het verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig te achten en dat er evenmin aanleiding is om de juistheid van de vastgestelde FML in twijfel te trekken. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van het bestreden besluit heeft de rechtbank in de eerste plaats geoordeeld dat door het Uwv onvoldoende is onderbouwd dat appellante geschikt was voor de maatgevende arbeid van telefoniste/receptioniste. Ook de geschiktheid van één van de primair aan appellante voorgehouden functies, te weten de functie van medewerker leen- en klantenservice binnen sbc-code 315130, achtte de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. In verband met dit laatste heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens de rechtbank was de (reserve)functie van assistent consultatiebureau wel geschikt voor appellante. Daarnaast was de rechtbank van oordeel dat het Uwv ten onrechte de omvang van de maatman heeft gemaximeerd op 38 uur per week. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat, ook uitgaande van de functies waarop de schatting uiteindelijk kan worden gebaseerd en rekening houdend met een maatmanomvang van 39 uur per week, de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Tot slot heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

3.1. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht, kort samengevat, dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat zij niet in staat was om de aan haar voorgehouden functies te vervullen.

3.2. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De primaire verzekeringsarts heeft een eigen medisch onderzoek verricht en heeft informatie ingewonnen bij de behandelend neurochirurg. In de bezwaarfase is appellante door de bezwaarverzekeringsarts aanvullend lichamelijk onderzocht. De Raad acht het aldus verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig. De primaire verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellante sprake was van een hernia thoracale. In verband hiermee zijn beperkingen aangenomen met betrekking tot lang zitten, tillen, bukken en werken onder ongunstige werkhoudingen, zoals vaak gebogen en/of getordeerd actief zijn en werken met trillende apparatuur. Deze beperkingen zijn vastgelegd in de onder 1.1 vermelde FML van 19 december 2006. De bezwaarver-zekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat deze FML een juiste weergave vormt van de medische beperkingen van appellante. In de beroepsfase heeft de bezwaarverzekeringsarts, in reactie op de naar voren gebrachte grieven en de overgelegde verklaring van de behandelend neuroloog, de vastgestelde medische beperkingen nader toegelicht bij rapporten van 4 december 2006 en 5 september 2007. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierbij aangegeven dat er geen reden is om van verdergaande of andere medische beperkingen uit te gaan. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van dit standpunt. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellante in hoger beroep geen nadere medische stukken heeft ingebracht ter ondersteuning van haar medische grieven. Hierin ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien om, zoals door appellante is verzocht, een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen.

4.2. Wat betreft de arbeidskundige kant van de onderhavige arbeidsongeschiktheids-beoordeling overweegt de Raad het volgende. Zoals is vermeld onder 2. heeft de rechtbank geoordeeld dat de primaire grondslag van het bestreden besluit, te weten geschiktheid voor de maatgevende arbeid, onvoldoende is onderbouwd. Verder was de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van de functie van medewerker leen- en klantenservice binnen sbc-code 315130 onvoldoende is gemotiveerd. Tegen deze oordelen van de rechtbank heeft het Uwv geen hoger beroep ingesteld. Dit brengt mee dat nu ter beoordeling staat of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de weigering om een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen kan worden gebaseerd op de door de rechtbank geschikte geachte functies uit het CBBS. De geschiktheid van deze functies is toegelicht in een rapport van de arbeidsdeskundige van 23 februari 2006 en in rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 september 2006 en 11 december 2006. Naar het oordeel van de Raad is met deze rapporten voldoende onderbouwd dat appellante in staat was de desbetreffende functies te vervullen. De Raad is tot de conclusie gekomen dat het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellante met ingang van 9 januari 2006 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen.

4.3. Gezien hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

MH