Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
06-7355 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim negen maanden verstreken. De behandeling van het bezwaar door het Uwv heeft een jaar en bijna drie maanden geduurd. De behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft twee jaar en acht maanden geduurd en de behandeling van het hoger beroep door de Raad heeft twee jaar en bijna drie maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. Heropening onderzoek om te beslissen op verzoek om schadevergoeding. Naast het Uwv wordt de Staat der Nederlanden als partij in die procedure aangemerkt.

Weigering ziekengeld ten onrechte. Uit eensluidende verklaringen van werkgever en appellant moet worden afgeleid dat dienstverband is beëindigd. Geen onderbouwing van de niet eenduidige gegevens in de Basisregistratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7355 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2006, 04/2194 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Voor appellant is verschenen mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan uit, dat appellant zich per 22 augustus 2001 in Marokko tijdig ziek heeft gemeld bij de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS).

1.2. Op 10 juni 2003 heeft appellant bij het Uwv een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is gericht tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek om toekenning van ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), zo heeft appellant bij brief van

29 augustus 2003 aan het Uwv toegelicht. Op 29 april 2004 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om ziekengeld.

1.3. Bij besluit van 17 mei 2004 heeft het Uwv het verzoek van appellant om toekenning van ziekengeld naar aanleiding van zijn ziekmelding per 22 augustus 2001 afgewezen. Volgens de informatie van het Uwv was appellant tot en met 31 december 2001 in dienst van [werkgever] B.V. (hierna: de werkgever). Tot die datum zou de werkgever het loon moeten doorbetalen. Nu het Uwv niet beschikt over gegevens betreffende de ziekmelding en de wijze waarop het dienstverband is geëindigd ziet het Uwv geen rechtsgrond voor betaling van ziekengeld.

1.4. Het bezwaar van appellant is met toepassing van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 17 mei 2004.

1.5. Bij besluit van 25 augustus 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 mei 2004 ongegrond verklaard. Het Uwv stelt vast dat appellant en de werkgever niet bestrijden dat appellant per datum ziekmelding in dienst was bij de werkgever en handhaaft zijn standpunt dat de werkgever gehouden is het loon bij ziekte door te betalen. Nu appellant ondanks een verzoek daartoe geen bescheiden heeft overgelegd over aard en beëindiging van de arbeidsovereenkomst, kan het Uwv niet vaststellen of er bij het einde van het dienstverband recht bestaat op uitkering krachtens de ZW.

1.6. Het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van appellant om ziekengeld is gegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek om ziekengeld niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant in zoverre geen belang meer had bij het beroep.

2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, nu er op 22 augustus 2001 tussen appellant en zijn werkgever sprake was van een arbeidsovereenkomst tot in ieder geval datum einde dienstverband, appellant jegens zijn werkgever recht heeft op doorbetaling van het loon gedurende de periode dat hij ziek is. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op goede gronden per 22 augustus 2001 een uitkering ingevolge de ZW heeft geweigerd. Met betrekking tot de aanvraag van appellant om ziekengeld vanaf de datum waarop het dienstverband is geëindigd, overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid op welke datum het dienstverband van appellant is geëindigd. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt stelt dat op basis van de thans voorhanden gegevens niet is vast te stellen of en per welke datum appellant eventueel nog aanspraak zou kunnen maken op ziekengeld ingevolge de ZW.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit. Appellant stelt in het beroepschrift dat hij recht heeft op ziekengeld ter zake van zijn ziekmelding per 22 augustus 2001. Deze stelling heeft hij niet nader onderbouwd. Niet is betwist dat hij op die datum in dienst was van de werkgever. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het Uwv op goede gronden ZW-uitkering met ingang van 22 augustus 2001 heeft geweigerd, nu de werkgever verplicht is het loon door te betalen.

3.3. Ter zitting van de Raad is namens appellant voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte niet het einde van het dienstverband heeft vastgesteld.

3.4. De Raad ziet in de beschikbare gegevens voldoende grondslag om tot een oordeel te kunnen komen over de datum van het einde van het dienstverband van appellant en overweegt daartoe als volgt.

3.5. Het Uwv heeft zich naar aanleiding van de aanvraag van appellant tot de werkgever gewend met het verzoek om de in dit verband relevante stukken en gegevens te verstrekken. De werkgever heeft daarop bij brief van 11 mei 2004 geantwoord dat appellant laatstelijk voor de werkgever werkzaam is geweest op basis van een dienstverband voor bepaalde tijd van 12 juni 2001 tot en met 11 september 2001. Omdat appellant op de dag waarop hij na de vakantie weer moest gaan werken zonder opgaaf van redenen niet op het werk is verschenen, is de arbeidsovereenkomst na 11 september 2001 niet meer verlengd. Appellant heeft zich volgens deze verklaring niet bij de werkgever ziek gemeld. Pas op 5 november 2002 heeft appellant telefonisch bij de werkgever navraag gedaan naar de stand van zaken met betrekking tot zijn ziekmelding. Hem is daarop meegedeeld dat de ziekmelding met een zo lange terugwerkende kracht niet in behandeling kon worden genomen.

3.6. Appellant stelt in bezwaar dat hij zich op 24 augustus 2001 telefonisch heeft ziek gemeld bij de werkgever. Tevens verklaart hij dat hij ten tijde van de ziekmelding als uitzendkracht in loondienst werkzaam was bij de werkgever op basis van een tijdelijk dienstverband vanaf 12 juni 2001 tot en met 11 september 2001. Hij betwist dat het dienstverband met de werkgever tot en met 31 december 2001 heeft geduurd.

3.7. Het Uwv heeft een aantal uitdraaien uit de Basisregistraties van verschillende data in het geding gebracht. Op de uitdraai van 6 oktober 2003 is na de datum van indiensttreding 12 juni 2001 geen datum van uitdiensttreding vermeld. Op de uitdraai van 18 mei 2004 is als datum van uitdiensttreding 31 december 2001 vermeld. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant zich op basis van de gegevens op de uitdraai van 6 oktober 2003 op het standpunt gesteld dat de uitzendovereenkomst op 31 december 2001 dan wel 26 november 2001 is geëindigd. De Raad stelt vast dat de beschikbare gegevens uit de Basisregistraties niet eenduidig zijn. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv hiervoor geen verklaring kunnen geven. De Raad acht het aannemelijk dat het dienstverband tussen appellant en de werkgever per 12 september 2001 is geëindigd, overeenkomstig de eensluidende verklaringen daarover van de werkgever en appellant, zoals vermeld onder 3.5 en 3.6. De ter zitting van de Raad overgelegde berekening van de gemachtigde van appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat het dienstverband per een latere datum zou zijn geëindigd, nu daarvoor geen andere onderbouwing is gegeven dan de niet eenduidige gegevens uit de Basisregistraties. Het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad ten onrechte geweigerd een besluit te nemen op de aanvraag van appellant om ziekengeld met ingang van de datum waarop het dienstverband is geëindigd, zijnde 12 september 2001. Het Uwv dient dan ook alsnog te beoordelen of appellant per 12 september 2001 recht kan doen gelden op een uitkering ingevolge de ZW en daarover een besluit te nemen.

3.8. Uit hetgeen de Raad onder 3.5 tot en met 3.7 heeft overwogen volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen voor zover aangevochten en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond zal verklaren en dat besluit zal vernietigen. Het Uwv dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 17 mei 2004.

4.1. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in de bestuurlijke en in de rechterlijke fase.

4.2. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009.

4.3. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 11 juni 2003 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 11 juni 2003 tot het besluit van 25 augustus 2004 een jaar en bijna drie maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 26 april 2004 tot de uitspraak op 29 november 2006 twee jaar en acht maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger-beroepschrift op 27 december 2006 tot deze uitspraak twee jaar en bijna drie maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden.

4.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 09/1573 en 09/1575 Beslu(SV) ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

TM