Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
07-5008 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen “en/of”-rekening met bejaarde moeder; onbeperkte beschikkingsmacht; na conversie niet onredelijk geacht beleid.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 31
Participatiewet 34
Participatiewet 54
Participatiewet 58
Participatiewet 4:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 109
USZ 2009/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5008 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2007, 06/4626 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 19 juni 1978 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst over op naam van appellant staande bankrekeningen heeft het College een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Uit dit onderzoek kwam onder meer naar voren dat appellant een tweetal “en/of ”-rekeningen ten name van hem en zijn moeder niet aan het College heeft opgegeven en dat het saldo van beide rekeningen op 31 december 2004 in totaal

€ 27.229,-- bedroeg. Het saldo van de wel bij het College bekende bankrekening was op die datum € 2.911,--.

1.2. Op grond van deze onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 24 mei 2006 de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 april 2006 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.833,91 van hem teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant over die periode heeft beschikt over vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen te boven ging en dat hij heeft nagelaten het College daarvan in kennis te stellen, waardoor hem ten onrechte bijstand is verleend. Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat de tegoeden op de niet opgegeven rekeningen van zijn moeder (die op 30 januari 2006 is overleden) waren, en dat deze uitsluitend bestemd waren voor en besteed zijn aan de kosten van haar ziekte en uitvaart. Hem zou destijds in 2002 van de zijde van het College zijn geadviseerd met dat doel een en/of rekening met zijn moeder te openen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verwijst voor een weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde in geding naast de bij het College bekende bankrekening bij de Postbank ([rekeningnummer]) nog twee andere bankrekeningen op zijn naam had staan bij respectievelijk de Postbank[rekeningnummer]; hierna: rekening 1) en de ABN/AMRO ([rekeningnummer]; hierna: rekening 2). Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 3 juni 2008, LJN BD5196) rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

4.3. Naar het oordeel van de Raad is appellant daarin niet geslaagd. Wat rekening 1 betreft heeft appellant verzuimd de in dit verband cruciale bankafschriften over de periode van 16 december 2005 (toen het saldo op deze rekening nog € 5.023,29 was) tot 2 februari 2006 (toen het saldo niet meer toereikend was om een bedrag van € 142,42 te voldoen) over te leggen. Van rekening 2 is slechts één bankafschrift overgelegd gedateerd 2 februari 2006, waaruit valt af te leiden dat op deze rekening tot 31 januari 2006 nog een tegoed stond van € 17.222,97 en dat daarvan door appellant op 31 januari 2006 een bedrag van € 6.000,-- is opgenomen. Dat appellant dit bedrag naar zijn stelling onmiddellijk aan de notaris heeft overgemaakt kan de Raad, gelet op de inhoud van de brief 9 februari 2006 van notariskantoor Wassink &Vermeulen, niet volgen. Overigens heeft appellant desgevraagd voor de verschillende mutaties op beide rekeningen in 2005 geen afdoende verklaring gegeven. Dit roept temeer vragen op nu het saldo van rekening 2 op 31 december 2004 nog € 22.636,-- was. Het door appellant in het geding gebrachte, door zijn broer opgestelde, overzicht ter zake van de kosten van de nalatenschap van zijn moeder heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen, reeds omdat dit naar zeggen van appellant uiteindelijk niet is gevolgd. Overigens valt op dat blijkens dat kostenoverzicht de kosten voor de uitvaart (inclusief grafsteen) van de moeder van appellant € 3.859,45 hebben bedragen. Hoe de nalatenschap uiteindelijk is afgewikkeld heeft appellant ook ter zitting van de Raad niet duidelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande moet het er naar het oordeel van de Raad voor worden gehouden dat appellant ten tijde in geding niet alleen de onbeperkte beschikkingsmacht heeft gehad over de rekeningen 1 en 2, maar zowel vóór als na het overlijden van zijn moeder ook feitelijk over de tegoeden heeft beschikt. Daarbij laat de Raad in het midden of de rekeningen vóór het overlijden van de moeder van appellant uitsluitend ten behoeve van haar zijn aangewend. Dat de banktegoeden respectievelijk de van de rekeningen 1 en 2 opgenomen bedragen na het overlijden van de moeder van appellant niet meer ter beschikking stonden van appellant heeft hij niet met objectieve, in rechte geloof verdienende gegevens onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt.

4.4. De stelling, ten slotte, dat appellant op advies van een medewerker van de sociale dienst zou zijn overgegaan tot het openen van “en/of ”-rekeningen met zijn moeder doet, nog daargelaten dat de gedingstukken daarvoor geen aanknopingspunten bieden, aan het voorgaande niet af. Dit laat immers onverlet dat appellant na het openen van beide rekeningen over de daarop staande tegoeden beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken en dat deze middelen, voor zover deze de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WWB overschreden, een beletsel vormden voor (voortzetting van de) bijstandsverlening.

4.5. Van bij de vaststelling van het vermogen in aanmerking te nemen schulden is de Raad niet gebleken.

4.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat appellant gedurende de gehele hier ter beoordeling staande (intrekkings)periode de beschikking heeft gehad over een vermogen, dan wel daarover redelijkerwijs de beschikking kon verkrijgen, dat de toepasselijke vrijlatingsgrens (voor 2005: € 5.105,--; voor 2006: € 5.180,--) overschreed. Appellant had over die periode dan ook geen recht op bijstand.

4.7. Nu appellant het bestaan van de bankrekeningen en de daarop staande tegoeden niet aan het College heeft gemeld, en het hier gaat om gegevens waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.8. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.7 is overwogen was het College bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken over de hier in geding zijnde periode. Het College heeft in overeenstemming met zijn eerder (zie de uitspraak van 20 maart 2007, LJN BA1292) door de Raad - na conversie van onverbindende verordeningsbepalingen in beleid - niet onredelijk geachte beleid tot intrekking van de bijstand besloten. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in afwijking van dat beleid geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

4.9. Uit 4.8 vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College de bevoegdheid toekwam de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.833,91 van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering, door de Raad al eerder na conversie (zie evengenoemde uitspraak van 20 maart 2007) niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

4.10. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B.E. Giesen.

IA