Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0316

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
08-971 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ANW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Voldaan aan het criterium wederzijdse verzorging en het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. De rechtbank heeft de Svb terecht gevolgd in het standpunt dat niet kan worden gesproken van wederzijdse zorg binnen het kader van een commerciële relatie. Geen sprake van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/971 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 december 2007, 06/7452 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 24 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Leijstra, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2009. Appellante is, vergezeld van haar zoon, verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. L. van den Buijs, advocaat te ’s-Gravenhage. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K. Verbeek, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolgde de Algemene nabestaandenwet (Anw). Uit een gegevensuitwisseling met de gemeente ’s-Gravenhage is de Svb gebleken dat op het woonadres van appellante in de Gemeentelijke basisadministratie drie personen staan ingeschreven, waaronder appellante. Naar aanleiding daarvan heeft de Svb aan appellante een onderzoeksformulier gezamenlijk huishouden gestuurd. Het met behulp van een - niet bij haar inwonende - zoon van appellante ingevulde en door appellante op 21 maart 2006 ondertekend formulier is aan de Svb retour gezonden. Op het formulier is vermeld dat op het woonadres van appellante vanaf november 2005 tevens wonen haar schoonzus [naam schoonzus] en haar zoon [naam zoon]. Daarop is voorts vermeld dat er sprake is van wederzijdse zorg tussen haarzelf en haar schoonzus, waarbij enkele elementen van die zorg - zoals op het formulier voorbedrukt - zijn aangekruist. Verder is op het formulier aangegeven dat geen sprake is van wederzijdse zorg tussen appellante en [naam zoon]. Op basis daarvan heeft de Svb aangenomen dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met haar schoonzus.

1.2. Bij besluit van 7 april 2006 heeft de Svb appellante meegedeeld dat haar recht op een Anw-uitkering op 30 november 2005, eindigt omdat zij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 7 april 2006 bezwaar gemaakt. In het kader van de behandeling van dit bezwaar heeft op 4 juli 2006 een huisbezoek vanwege de Svb plaatsgevonden. Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de tekst van de artikelen 3, tweede en derde lid, en 16 eerste lid, van de Anw vermeld. Kortheidshalve verwijst de Raad daarnaar. Hij voegt daaraan toe dat in artikel 34, eerste lid, van de Anw, is geregeld in welke gevallen de Svb de nabestaandenuitkering dient in te trekken of te herzien.

4.2. Gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad staat tussen partijen vast - en ook de Raad gaat daarvan uit - dat in dit geval niet kan worden gesproken van een zogenoemd meerpersoonshuishouden, bestaande uit appellante, haar schoonzus en haar zoon. Ter beantwoording door de Raad ligt uitsluitend de vraag voor of de Svb terecht heeft aangenomen dat appellante in november 2005 met haar schoonzus een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Anw is gaan voeren. In dat verband staat tussen partijen voorts vast dat zich hier niet de situatie voordoet dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren met het oog op de zorgbehoefte (hulpbehoevendheid) van appellante of haar schoonzus in de zin van artikel 1, aanhef en onder k, van de Anw.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.4. Aan het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning, is in dit geval voldaan.

4.5. Het tweede in dat verband geldende criterium is dat van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.

4.6. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat in het geval van appellante aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Evenals de Svb en de rechtbank kent de Raad zwaarwegende betekenis toe aan het op 21 maart 2006 ingevulde formulier, waarop diverse elementen van over en weer verleende zorg zijn aangekruist. De Raad acht, anders dan appellante stelt, niet aannemelijk dat de op het formulier gestelde vragen of de genoemde elementen van zorg door appellante en/of haar zoon niet goed zijn begrepen. Het gaat daarbij immers in hoofdzaak om de gewone dagelijkse zaken als eten, boodschappen doen, koken, e.d.. In dit verband is verder van belang dat bij het invullen van het formulier duidelijk een onderscheid is gemaakt in de verhouding tussen appellante en haar schoonzus en de verhouding tussen appellante en haar zoon. Appellante heeft in het verdere verloop van de procedure, onder meer tijdens het huisbezoek op 4 juli 2006, weliswaar de (mate van) zorg over en weer afgezwakt, maar de Raad acht dit tegen de achtergrond van het voorgaande onvoldoende voor een ander standpunt. Daarbij betrekt de Raad dat ook na dat huisbezoek niet ter discussie heeft gestaan dat appellante en haar schoonzus, die beiden medische problemen ondervinden, bij ziekte voor elkaar zorgen.

4.7. De rechtbank heeft de Svb voorts terecht gevolgd in het standpunt dat niet kan worden gesproken van wederzijdse zorg binnen het kader van een commerciële relatie. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank op dat punt, waaruit genoegzaam naar voren komt dat hetgeen in een commerciële relatie gebruikelijk is in dit geval wordt overschreden.

4.8. Aan het voorgaande doet niet af dat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, eveneens nadat onderzoek is ingesteld naar het bestaan van een gezamenlijke huishouding van appellante met haar schoonzus, aan appellante met ingang van 11 mei 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand heeft toegekend naar de norm voor een alleenstaande. De betrokken uitvoeringsorganen hebben ieder een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de toepassing van de geldende wet- en regelgeving.

4.9. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat appellante in november 2005 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met haar schoonzus. Dat betekent, gelet op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw, dat het recht van appellante op Anw-uitkering op 30 november 2005 eindigde. De Svb was dan ook ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Anw gehouden de Anw-uitkering van appellante met ingang van 1 december 2005 in te trekken.

De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

4.10. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.11. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B.E. Giesen.

NW