Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0312

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
07-2266 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de wettelijke wachttijd van (destijds) 52 weken ingevolge de WAO ten aanzien van appellant niet is doorlopen, nadat appellant ingaande de datum in geding ziek is gemeld. Nu de aanvraag om een WAO-uitkering eerst drie jaar na de periode in geding is gedaan, moet het risico dat ten gevolge daarvan bewijs omtrent doorlopende arbeidsongeschiktheid niet meer geleverd kan worden, voor appellant blijven. Appellant heeft zich niet verzet tegen de hersteldmelding op de datum in geding door de werkgeefster. Van behandeling van zijn medische klachten tijdens detentie is niet gebleken. Na detentie heeft hij zich niet opnieuw ziekgemeld. Niet is gebleken dat appellant voorafgaand aan zijn ziekmelding halve dagen werkte, laat staan dat dit was in verband met ziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2266 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 april 2007, 06/2266 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij is overgelegd een rapport van 25 juni 2007 van bezwaarverzekeringsarts M. Bakker.

Werkgeefster is op 26 november 2008 in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was vanaf 24 juni 1968 werkzaam bij papierfabriek [naam werkgeefster] geheten - (hierna: de werkgeefster), laatstelijk als machinevoerder.

1.2. Appellant heeft zich ingaande 20 augustus 2001 bij zijn werkgeefster ziekgemeld in verband met psychische klachten. Ingaande 23 augustus 2001 heeft hij voor 20 uren per week hervat in arbeidstherapie. Ingaande 27 augustus 2001 is appellant in voorlopige hechtenis geplaatst. Bij brief van 26 oktober 2001 is appellant door zijn werkgeefster in verband met die detentie ingaande 12 november 2001 ontslagen. In die brief is aangegeven dat de werkgeefster de ziekmelding bij de Arbo Unie Apeldoorn zal intrekken. Blijkens informatie afkomstig van de Arbo Unie Apeldoorn is appellant ingaande 29 oktober 2001 door de werkgeefster bij de Arbo Unie hersteld gemeld. Op 15 november 2001 heeft de Arbo Unie de hersteldmelding aan het Uwv doorgegeven.

1.3. Appellant is tot 3 juni 2002 gedetineerd geweest. Nadien heeft hij een dagbehandeling ondergaan in het kader van een justitiële maatregel bij De Tender te Deventer voor de duur van één jaar.

1.4. Appellant heeft na zijn detentie vanaf 11 juni 2002 een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente Apeldoorn. In een rapport van een arbeidsmedisch onderzoek van 14 december 2003, verricht in opdracht van de gemeente Apeldoorn/Dienst Samenleving is geconcludeerd dat appellant aanmerkelijk minder dan 75% van een voltijdse functie kan vervullen op medische gronden.

1.5. In haar rapport van 24 maart 2005 stelt arbeidsdeskundige W. Elsman, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn, dat appellant niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden en dat appellant haar verteld heeft dat hij op 20 augustus 2001 door zijn werkgeefster werd ziekgemeld maar dat hij in feite op dat moment al enige tijd ziek was, want hij werkte nog maar halve dagen.

1.6. Appellant heeft bij het Uwv een op 21 april 2005 gedateerde aanvraag ingediend om een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op die aanvraag is vermeld dat de eerste ziektedag 20 augustus 2001 was.

1.7. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat appellant geen theoretische arbeidsmogelijkheden zijn te duiden vanwege de forse beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en is appellant bij besluit van 23 juni 2005 ingaande 21 april 2004, zijnde een jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag, een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.8. De werkgeefster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bedrijfsarts H.F. Tolhoek, werkzaam bij Arbo Unie te Apeldoorn, heeft namens de werkgeefster medische gronden aangevoerd.

1.9. De bezwaarverzekeringsarts M. Bakker heeft vervolgens informatie ingewonnen bij en ontvangen van zowel de Arbo Unie als de huisarts. Vervolgens heeft deze bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 19 september 2006 geconcludeerd dat vanwege de hersteldmelding per 29 oktober 2001 appellant niet aan de voor de WAO geldende eis van 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschiktheid voldoet.

1.10. Bij besluit op bezwaar van 22 september 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van de werkgeefster gegrond verklaard en is de WAO-uitkering van appellant ingaande 23 november 2006 ingetrokken. Hierbij heeft het Uwv overwogen dat ten aanzien van appellant niet is voldaan aan het gestelde in artikel 19 van de WAO.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, ingesteld tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van een onafgebroken periode van arbeidsongeschiktheid over een periode van 52 weken na de ziekmelding van appellant per 20 augustus 2001. Na de hersteldmelding door de werkgeefster op 29 oktober 2001 heeft appellant niet bij het Uwv of zijn werkgeefster gemeld dat hij onverminderd arbeidsongeschikt was zodat het Uwv noch de werkgeefster heeft kunnen vaststellen of was voldaan aan het bepaalde in artikel 19 van de WAO. Over de in geding zijnde periode zijn ook geen andere medische gegevens voorhanden waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat appellant arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 18 van de WAO.

3.1 In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij bij einde van de wachttijd, zijnde augustus 2002, volledig arbeidsongeschikt was. In augustus 2001 heeft appellant zich ook gemeld bij de huisarts met toegenomen depressieve en angstklachten. Hij is doorverwezen naar een psychiater. In september 2002 en vervolgens weer in maart 2003 heeft hij zich weer opnieuw met depressieve klachten bij de huisarts gemeld, waarna de medicatie is aangepast. Na afloop van zijn detentie heeft hij psychologische behandeling ondergaan. Hij heeft niet geweten dat zijn werkgeefster hem hersteld heeft gemeld.

3.2. Bezwaarverzekeringarts Bakker heeft op 25 juni 2007 gerapporteerd dat de periode van behandeling bij De Tender plaatsvond in het kader van een door de rechter opgelegde dwangmaatregel, dat dit dus niet vanwege spanningen of depressie was maar vanwege met het delict samenhangende persoonlijkheidsproblematiek en dus niet vanwege arbeidsongeschiktheid wegens ziekte.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Aan de orde is het oordeel van de rechtbank over de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de wettelijke wachttijd van (destijds) 52 weken ingevolge de WAO ten aanzien van appellant niet is doorlopen, nadat appellant ingaande 20 augustus 2001 ziek is gemeld.

4.2. Nu de aanvraag om een WAO-uitkering gedaan is eerst drie jaar na de periode in geding, moet het risico dat ten gevolge daarvan bewijs omtrent doorlopende arbeidsongeschiktheid niet meer geleverd kan worden, voor appellant blijven.

4.3. De Raad onderkent dat enerzijds de vraag of de wachttijd ingevolge de WAO is doorlopen een zelfstandige beoordeling vergt, in welk verband de hersteldmelding van 29 oktober 2001 op zich niet zonder meer doorslaggevend is, maar moet anderzijds concluderen dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat appellant ten tijde hier van belang een onafgebroken periode van 52 weken van arbeidsongeschiktheid heeft doorgemaakt. Daartoe overweegt de Raad als volgt.

4.4. Appellant heeft zich blijkbaar niet verzet tegen de hersteldmelding op 29 oktober 2001 door de werkgeefster. Van behandeling van zijn medische klachten tijdens detentie is niet gebleken. Na detentie heeft hij zich niet opnieuw ziekgemeld; eerst in september 2002 en vervolgens pas weer in maart 2003 heeft hij zich bij zijn huisarts gemeld met klachten. Een verwijzing door de huisarts in 2002 naar een psychiater is zonder gevolg gebleven. De medische informatie van De Tender ziet niet op de periode in geding. Ten slotte is niet kunnen blijken dat appellant voorafgaand aan zijn ziekmelding per 20 augustus 2001 reeds halve dagen werkte, laat staan dat dit was in verband met ziekte.

4.5. Gelet op het overwogene in 4.3 en 4.4 kan de Raad daarlaten of artikel 19a, eerste en tweede lid, van de WAO voor de aanspraak van appellant op een WAO-uitkering een (afzonderlijke) belemmering zou hebben gevormd.

4.6. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

TM