Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
07-2625 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2007:BA5168, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. voldoende medische grondslag. De vastgestelde medische beperkingen zijn niet onderschat. Het Uwv heeft de geschiktheid voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate gemotiveerd. Het Uwv heeft met maatmaninkomen niet goed vastgesteld. Bij het vaststellen van dit maatmaninkomen heeft het Uwv de offshore-toeslag slechts berekend over de helft van de voor appellant vastgestelde arbeidstijd omdat naar de mening van het Uwv een brandwacht slechts gemiddeld zes maanden per jaar offshore werkt. De Raad is echter op grond van de gedingstukken niet tot de conclusie kunnen komen dat dit standpunt juist is. Het bestreden besluit is wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in rechte geen stand kan houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2625 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2007, 06/4420 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009, waar namens appellant is verschenen mr. Van Berkel, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft lang in de scheepsbouw gewerkt. Nadat zijn werkgever failliet was gegaan, is hij met ingang van 2 mei 2004 aangesteld als brandwacht op een booreiland. Op 13 mei 2004 is hij uitgevallen wegens een herseninfarct. Vervolgens heeft per einde wachttijd een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat verband is appellant op 27 maart 2006 onderzocht door de verzekeringsarts K. Golab, die in zijn rapport van dezelfde datum tot de conclusie is gekomen dat appellant als gevolg van zijn herseninfarct restverschijnselen heeft, zoals duizeligheid, lichte problemen met woordvinding en geringe traagheid in denken. Met inachtneming van daaruit voortvloeiende beperkingen heeft hij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Daarna is de arbeidsdeskundige J.L. van Heteren in zijn rapport van 11 mei 2006 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk van brandwacht maar nog wel geschikt voor een drietal andere functies. Op basis van deze drie functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%. Bij besluit van

12 mei 2006 is appellant meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een

WIA-uitkering.

2.1. In bezwaar heeft appellant nadere medische informatie ingebracht. Hij heeft gesteld dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat de belasting in de geselecteerde functies overschrijdingen van de voor hem vastgestelde belastbaarheid vertonen. Daarnaast is hij van mening dat bij het vaststellen van het maatmanloon onvoldoende rekening is gehouden met de offshore-toeslag.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts V.K. Ramautar heeft zich in zijn rapport van 21 september 2006 kunnen verenigen met de bevindingen van de verzekeringsarts. Ten aanzien van de knie- en heupklachten heeft hij overwogen dat appellant hier al jaren last van heeft en hij hiermee altijd zwaar werk heeft kunnen verrichten. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.A.M. Snijders in zijn rapport van 29 september 2006 nog een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies. Tevens heeft hij in dit rapport laten weten dat hij zich kan verenigen met het door de arbeidsdeskundige berekende maatmanloon. Bij besluit van 3 oktober 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. In beroep heeft appellant dezelfde gronden aangevoerd als in bezwaar. Daarnaast heeft hij gesteld dat zijn knie- en heupklachten zijn verergerd.

3.2. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische component van het bestreden besluit. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies in voldoende mate is aangetoond en het maatmanloon op de juiste wijze is berekend. De rechtbank heeft echter het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat het maatmanloon ten onrechte was gemaximeerd op 38 uren per week. Aangezien van de zijde van het Uwv ter zitting was aangetoond dat berekening van de resterende verdiencapaciteit aan de hand van het juiste aantal maatmanuren geen hogere arbeidsongeschiktheidsklasse tot gevolg had, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep de eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden gehandhaafd.

4.2. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv in hoger beroep de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herberekend. Dit heeft echter niet geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer zodat het bestreden besluit is gehandhaafd.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsartsen van het Uwv een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en heeft een FML opgesteld. Deze FML is door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven nadat hij kennis had genomen van de door appellant in bezwaar overgelegde medische informatie over zijn herseninfarct. De stelling van appellant dat zijn knie- en heupklachten zijn verergerd, heeft hij naar het oordeel van de Raad in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt. De Raad is dan ook niet tot de conclusie kunnen komen dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat.

5.2. De Raad is eveneens van oordeel dat het Uwv de geschiktheid van appellant voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate heeft gemotiveerd.

5.3. De Raad kan zich echter niet verenigen met het door het Uwv vastgestelde maatmaninkomen. Een brandwacht ontvangt gedurende de periode dat hij aan boord van het boorplatform is een zogeheten offshore-toeslag. Bij het vaststellen van dit maatmaninkomen heeft het Uwv deze toeslag slechts berekend over de helft van de voor appellant vastgestelde arbeidstijd omdat naar de mening van het Uwv een brandwacht slechts gemiddeld zes maanden per jaar offshore werkt. De Raad is echter op grond van de gedingstukken niet tot de conclusie kunnen komen dat dit standpunt juist is. De Raad acht dit standpunt dan ook in onvoldoende mate onderbouwd en dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid en in onvoldoende mate is gemotiveerd. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in rechte geen stand kan houden.

5.4. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, behoudens voor zover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De Raad stelt vast dat, aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van de proceskosten die aan de zijde van appellant zijn gevallen in verband met de procedure in beroep, hier slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan. Deze proceskosten worden voor verleende bijstand begroot op € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten;

Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.J. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) B.J. Giesen.

JL