Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0291

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
07-4804 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Rechtbank heeft besluit vernietigd met opdracht nieuw besluit te nemen omdat arbeidskundige rapportage niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Uwv in hoger beroep. In hoger beeroep alsnog aanvullende rapportage. Vastgesteld moet worden dat met die rapportage feitelijk het door de rechtbank geconstateerde gebrek is hersteld. Voor het uitvoeren van de door de rechtbank gegeven opdracht bestaat naar het oordeel van de Raad dan ook geen aanleiding meer. Rechtgevolgen worden in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4804 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 juli 2007, 06/3633 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Betrokkene is in persoon verschenen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij beslissing van 7 juli 2003 heeft appellant (hierna ook: het Uwv) geweigerd om betrokkene per 3 september 2002 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO).

2. Het tegen die beslissing gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 25 april 2005 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank Utrecht heeft in haar uitspraak van 9 maart 2006 het ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 april 2005 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, onder overweging dat er onvoldoende onderzoek is verricht naar de geschiktheid van betrokkene voor de werkzaamheden die hij direct voorafgaand aan zijn uitval verrichtte en het Uwv aldus zonder zorgvuldig onderzoek te doen is overgegaan tot het vaststellen van een (zogenoemde) fictieve maatman.

4. Nadat de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog op 29 augustus 2006 nog een rapport heeft uitgebracht, heeft het Uwv het tegen de beslissing van 7 juli 2003 gemaakte bezwaar bij besluit op bezwaar van 31 augustus 2006 (het bestreden besluit) wederom ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de door betrokkene laatst verrichte werkzaamheden bij [werkgever] te [vestigingsplaats] passen binnen de door de verzekeringsarts vastgestelde functionele mogelijkheden, reden waarom hij op en na 23 augustus 2002 nog steeds niet arbeidsongeschikt is geacht.

5.1. In beroep heeft betrokkene aangevoerd het onder meer niet eens te zijn met de medische beoordeling door de rechtbank, noch met de datum waartegen zijn aanspraken zijn beoordeeld. Ter zitting van de rechtbank op 27 april 2007 heeft hij daaraan nog toegevoegd dat het werk van lasser/spuiter bij zijn oude werkgever na een reorganisatie is veranderd en destijds veel zwaarder was dan nu door het Uwv wordt gesteld.

5.2. Het Uwv heeft ter zitting aangegeven dat het bezwaar gegrond had moeten worden verklaard, omdat in plaats van de datum 3 september 2002 het besluit uitgaat van 23 augustus 2002 als datum waarop de wachttijd is volgemaakt. Het standpunt dat betrokkene geschikt is voor zijn maatgevende arbeid wordt gehandhaafd.

5.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voor wat betreft de medische kant van de schatting overwogen dat de in functionele mogelijkhedenlijst in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van betrokkene en geoordeeld dat bij het bestreden besluit terecht de datum 23 augustus 2002 als einde wachttijd is gehanteerd. Wat betreft de arbeidskundige kant is zij tot de conclusie gekomen dat het Uwv terecht uitgaat van de werkzaamheden bij ISC als maatman.

5.4. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat tussen partijen geen overeenstemming bestaat over de omschrijving van de werkzaamheden die betrokkene bij ISC verrichtte. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van het Uwv gelegen om betrokkene voorafgaand aan het bestreden besluit een reactie te vragen op de rapportage van 29 augustus 2006, waarna het Uwv vervolgens ISC had moeten confronteren met betrokkenes reactie.

5.5. De rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en aan het Uwv opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

6.1. Het Uwv is van die uitspraak in hoger beroep gekomen, omdat er geen reden is te veronderstellen dat de rapportage van 29 augustus 2006 niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Naar de mening van het Uwv had de rechtbank betrokkene dienen uit te nodigen zijn betoog nader te onderbouwen in plaats van - met voorbijgaan aan het gestelde in de rapportage van 29 augustus 2006 - betrokkene op diens woord te geloven.

In het kader van de verdere afhandeling van het hoger beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige nogmaals contact gehad met ISC en daarvan op 29 augustus 2007 verslag gedaan. Daaruit blijkt dat de werkzaamheden van de maatmanfunctie op een juiste manier zijn verwoord in de rapportage van 29 augustus 2006, aldus het Uwv.

7.1. Zich beperkend tot het in hoger beroep aangevochten punt onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en maakt dat tot het zijne.

7.2. Een zorgvuldige voorbereiding vergde dat het Uwv betrokkene de gelegenheid had gegeven om op het rapport van 29 augustus 2006 te reageren.

7.3. De Raad kan zich, in het licht van de laatste aanvullende rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige uit 2007, overigens wel vinden in het materiële standpunt van appellant betreffende de - door betrokkene betwiste - zwaarte van zijn eigen werk. Vastgesteld moet worden dat met die rapportage feitelijk het door de rechtbank geconstateerde gebrek is hersteld. Voor het uitvoeren van de door de rechtbank gegeven opdracht bestaat naar het oordeel van de Raad dan ook geen aanleiding meer.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 14,50, zoals gevorderd aan reiskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij aan appellant opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 14,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) B.E. Giesen.

CVG