Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
07-5342 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Appellante wordt geacht op basaal niveau te kunnen rekenen, lezen en schrijven. In de gedingstukken is de Raad niet gebleken van aanknopingspunten voor het tegendeel, met name niet dat appellante niet of nauwelijks kan lezen. In twee van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies worden in het geheel geen eisen gesteld aan rekenen, lezen en schrijven. Dat appellante met haar beperkte leesvaardigheid aan die functie-eis niet zou kunnen voldoen, acht de Raad niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5342 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 juli 2007, 07/289 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Schreurs - van de Langemheen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Bij faxbericht van 6 februari 2009 heeft opvolgend gemachtigde mr. W.H.A. Bos, advocaat te Roermond, de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2009.

Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft zich in oktober 2004 ziekgemeld voor haar werkzaamheden als medewerkster van een kringloopwinkel. Na verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv haar bij besluit van 6 september 2006 geweigerd met ingang van 25 okotober 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij in staat wordt geacht meer dan 65% te verdienen van haar maatmaninkomen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 24 januari 2007 (hierna: bestreden besluit) onderschreven en het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. Het hoger beroep van appellante is slechts gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Aangevoerd is dat het Uwv het opleidingsniveau van appellante ten onrechte op niveau 2 heeft gesteld. Appellante voldoet niet aan de door het Uwv ten behoeve van de vaststelling van het functie- en opleidingsniveau gehanteerde hulptabel bij niveau 2 behorende eis. Zij kan niet lezen, schrijven en rekenen op eind-basisschoolniveau. De aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies bevinden zich op opleidingsniveau 2 en zijn derhalve voor appellante te hoog gegrepen.

3.2. Het Uwv heeft benadrukt dat de indeling in opleidingsniveaus slechts wordt gebruikt als een min of meer globaal selectiecriterium bij de voorselectie van functies uit het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS), zodat wordt voorkomen dat het CBBS functies presenteert die evident te hoog gegrepen zijn qua opleidingseisen. Voorts is opgemerkt dat de beoordeling of een betrokkene voldoet aan de opleidingseisen altijd een individuele beoordeling door de arbeidsdeskundige vergt. Een dergelijke beoordeling geschiedt op basis van de benodigde bekwaamheden voor die functie(s) en niet op basis van het in het CBBS aangegeven opleidingsniveau.

4. De Raad, zich beperkend tot in overweging 3.1 omschreven punt van geschil, stelt vast dat appellante beschikt over een volledig afgeronde lagere schoolopleiding, Daarnaast heeft zij gedurende anderhalf jaar een Gilde-opleiding (ROC) gevolgd. Appellante kan derhalve geacht worden op basaal niveau te kunnen rekenen, lezen en schrijven. In de gedingstukken is de Raad niet gebleken van aanknopingspunten voor het tegendeel, met name niet dat appellante niet of nauwelijks kan lezen. Voorts stelt de Raad vast dat in twee van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies (productiemedewerker pluimveeslachterij, sbc-code 271070 en inpakster koekjes, sbc-code 111190) in het geheel geen eisen worden gesteld aan rekenen, lezen en schrijven. Slechts in de tot sbc-code 111180 behorende functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) dient gedurende 10% van de tijd de werkopdracht en het schema te worden gelezen. Dat appellante met haar beperkte leesvaardigheid aan die functie-eis niet zou kunnen voldoen, acht de Raad niet aannemelijk. Temeer niet, omdat uit de beschrijving van de functie-inhoud in het Resultaat functiebeoordeling blijkt dat sprake is van mondelinge opdrachten, zodat het verkrijgen van uitleg over de schriftelijke werkopdracht en het schema tot de mogelijkheden zal behoren.

5. Gelet op overweging 4 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R. Benza.

JL