Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
08-4594 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens declaratiegedrag. Opgelegde straf van ontslag is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het onjuiste declaratiegedrag is appellant volledig aan te rekenen. Juist in een functie als die appellant vervulde en waarin grotendeels buiten het zicht van de leidinggevenden wordt geopereerd, dient de werkgever volledig op de functionaris te kunnen vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4594 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 20 juni 2008, 07/595 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellant is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met soortgelijke gedingen, plaatsgevonden op 5 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Chr.J.M. Scheen, werkzaam bij CNV Publieke Zaak. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.C. van Kleef en mr. A.J.M. van Meer, beiden werkzaam bij Van Kleef & Partners te Boskoop, en [V.], werkzaam bij het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (SVHW).

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als deurwaarder bij het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden (ZHEW). Na de fusie op 1 januari 2005 van dit waterschap met drie andere waterschappen zijn de bij het ZHEW werkzame deurwaarders en bestandscontroleurs, onder wie appellant, in dienst gekomen bij het toen al bestaande SVHW. Bij het ZHEW hadden de medewerkers in de buitendienst zoals appellant aanspraak op een vaste forfaitaire maandelijkse vergoeding voor verblijfkosten, waarbij het blijkens de Regeling verblijfkosten ging om vergoedingen voor koffie/thee en lunch.

1.2. Met ingang van 1 mei 2005 is van toepassing geworden de Verordening dienstreizen SVHW. In artikel 5 van deze verordening is een regeling getroffen voor vergoeding van verblijfkosten indien deze aan dienstreizen zijn verbonden. In artikel 2, tweede lid, van het ter uitvoering van deze verordening vastgestelde Uitvoeringsbesluit Verordening dienstreizen SVHW zijn de maximale vergoedingen per dag voor lunch en voor koffie/thee overdag opgenomen. Deze bedroegen in 2005 voor de lunch € 10,96 en voor koffie/thee overdag € 3,48 en zijn nadien verhoogd overeenkomstig de bedragen in de door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde Reisregeling binnenland. Ingevolge het derde lid van voormeld artikel moet de medewerker de gemaakte kosten met nota’s aantonen om voor vergoeding van verblijfkosten in aanmerking te komen.

1.3. Eind 2005 ontving de directie van het SVHW signalen dat de deurwaarders en bestandscontroleurs declaraties voor verblijfkosten indienden die niet overeenkomstig de geldende regels waren. Na een intern onderzoek heeft de directie Deloitte Bijzonder Onderzoek & Integriteitsadvies B.V. (hierna: Deloitte) onderzoek laten doen naar mogelijke onregelmatigheden. Ook appellant is in dit onderzoek betrokken. Op 12 september 2006 heeft Deloitte onder meer over het declaratiegedrag van appellant een uitvoerig rapport uitgebracht.

1.4. Naar aanleiding van dit rapport heeft het dagelijks bestuur appellant bij brief van 19 oktober 2006 bericht dat een nader disciplinair onderzoek zal worden ingesteld in de vorm van door [B.], voormalig secretaris-algemeen directeur van het Hoogheemraadschap Rijnland (hierna: B.), af te nemen interviews. Appellant is op 31 oktober 2006 voor een gesprek met B. verschenen.

1.5. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het dagelijks bestuur appellant, na zijn voornemen daartoe aan hem kenbaar te hebben gemaakt en nadat appellant daarop had gereageerd, op grond van artikel 7.1.2, eerste lid, aanhef en onder j, van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregeling waterschapspersoneel (SAW) met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens zijn declaratiegedrag zoals dat blijkt uit het rapport van Deloitte.

1.6. Bij besluit van 11 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit van 23 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad is van oordeel dat ook indien in aanmerking zou worden genomen dat appellant niet van de details van de nieuwe verordening op de hoogte was - hetgeen hem overigens niet vrijpleit, zoals de Raad in rechtsoverweging 3.2 zal concluderen - dan niettemin blijft staan dat appellant vormen van declaratiegedrag heeft vertoond die overduidelijk onrechtmatig zijn. In het bijzonder valt appellant ernstig te verwijten dat hij meerdere malen voor zo grote hoeveelheden etenswaren declaraties heeft ingediend dat niet kan worden aangenomen dat deze voor appellant alleen waren bestemd. De Raad wijst hierbij op een bon van Visspecialist te Hoogvliet van 5 januari 2006 om 15.48 uur waarbij appellant een tweetal stoofschotels van respectievelijk 525 gram en 540 gram en gestoomde makreel van 365 gram heeft gekocht en een bon van diezelfde winkel van 8 februari 2006 om 12.17 uur waarbij appellant een stoofschotel van 760 gram en een portie kibbeling van 260 gram heeft aangeschaft. Eveneens ernstig te verwijten is dat appellant meerdere bonnen van Albert Heijn heeft ingediend waarop producten staan vermeld die, anders dan hij kennelijk meent, gelet op aard (bijvoorbeeld drop) en hoeveelheid (bijvoorbeeld appels met een gewicht van 1,075 kg) niet als lunch kunnen worden aangemerkt. Appellant heeft voorts een tweetal bonnen van McDonalds van 24 februari 2006 om 17.34 en 17.54 uur ingediend waarvan hij tijdens het onderzoek van Deloitte de onjuistheid heeft erkend. Appellant heeft verder, gelet op zijn verklaring ter zitting dat de aldaar gekochte producten bedoeld waren als snack voor thuis, ten onrechte een bon van KFC van 27 december 2005 om 16.26 uur gedeclareerd. Daarnaast heeft appellant driemaal boven de maximumdagvergoeding gedeclareerd.

Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat appellant door dit declaratiegedrag zeer ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd zodat het dagelijks bestuur bevoegd was hem een disciplinaire straf op te leggen.

3.2. Wat de bekendheid betreft van appellant met de nieuwe, vanaf 1 mei 2005 van toepassing zijnde, verordening stelt de Raad vast dat niet in geding is dat appellant op een bijeenkomst op 6 juni 2005 van de dienstleiding te horen heeft gekregen dat de verblijfkosten voortaan alleen nog maar op basis van in te dienen rekeningen/nota’s zouden worden vergoed, zij het dat een uitzondering werd gemaakt voor kosten van koffie/thee en toiletbezoek voor een beperkt bedrag (in de stukken is sprake van ten hoogste € 3,- per dag) indien daarvoor geen bon kon worden verkregen. Voor zover appellant heeft gesteld dat hij er niet van op de hoogte was wat nu precies wel of niet mocht worden gedeclareerd is de Raad van oordeel dat dit hem niet vrijpleit. Niets stond hem immers in de weg om het Uitvoeringsbesluit er op na te lezen of hierover inlichtingen te vragen bij Personeelszaken. Weliswaar is niet goed te begrijpen en ook minder juist dat de leidinggevende de medewerkers kennelijk geen nauwkeuriger informatie heeft gegeven over de nieuwe verordening, maar appellant had hier zonder meer ook een eigen verantwoordelijkheid. Tevens is van belang dat volgens de oude regeling geen kosten voor meer soorten etenswaren en dranken onder het begrip verblijfkosten waren gebracht dan onder de verordening het geval is.

3.3. In de gegeven omstandigheden acht de Raad geen grond aanwezig te oordelen dat de opgelegde straf van ontslag onevenredig is aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het onjuiste declaratiegedrag is appellant volledig aan te rekenen. Juist in een functie als die appellant vervulde en waarin grotendeels buiten het zicht van de leidinggevenden wordt geopereerd, dient de werkgever volledig op de functionaris te kunnen vertrouwen. Appellant heeft het vertrouwen dat het dagelijks bestuur in hem moest kunnen stellen zeer beschaamd. Dat bij eerdere controle de onjuistheid van declaraties wellicht voor een groot deel had kunnen worden onderkend, vormt onvoldoende grond voor een ander oordeel.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt en dat deze uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD