Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI0065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
06-7341 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Anders dan appellante meent, biedt de beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten voor haar stelling dat zij met haar klachten niet in staat zou zijn om te werken gedurende een volledige werkdag. De Raad volgt de rechtbank niet in het oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellante met haar beperkingen in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7341 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2006, 05/4768 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M.M.J.T. Strack-de Haan, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 27 maart 2007 heeft appellante een rapportage ingezonden van de neurochirurg dr. R.F. van Rolde van 19 maart 2007.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 13 april 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van

8 mei 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Strack. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 11 januari 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 11 maart 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van de arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.2. Namens appellante is tegen het besluit van 11 januari 2005 bezwaar gemaakt en gesteld dat de beperkingen die het gevolg zijn van haar rug- en nekklachten zijn onderschat. De door appellante ingebrachte rapportages van de neuroloog prof. dr. J.C. Koetsier van 31 maart 2000, de orthopedisch chirurg dr. C.M.T. Plasmans van 7 april 2003 en de neurochirurg Van Rolde van 8 juli 2005 hebben de bezwaarverzekeringsarts aanleiding gegeven de beperkingen van appellante nader vast te leggen in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 augustus 2005. Nadat de bezwaararbeidsdeskundige de aan de schatting ten grondslag gelegde functies opnieuw had beoordeeld op geschiktheid daarvan voor appellante, heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 7 september 2005 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit een toereikende medische en arbeidskundige grondslag heeft.

3. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep naar voren gebrachte stelling herhaald dat zij niet in staat is om gedurende 8 uren per dag te werken, omdat zij in verband met haar rug- en nekklachten regelmatige recuperatieperioden nodig heeft.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts, die blijkens zijn rapportage van 11 augustus 2005 kennis nam van de specialistische informatie van Koetsier, Plasmans en van Van Rolde, op zorgvuldige wijze de beperkingen van appellante heeft vastgesteld. De Raad ziet geen aanwijzingen dat appellante verdergaand beperkt is dan de bezwaarverzekeringsarts in de FML van 11 augustus 2005 heeft vastgelegd. De in hoger beroep ingebrachte rapportage van Van Rolde van 19 maart 2007, waarin hij aangeeft dat appellante zijns inziens absoluut niet geschikt is voor enig rugbelastend werk, biedt geen nieuw gezichtspunt. Ook de (bezwaar)verzekeringsartsen hebben steeds het standpunt ingenomen dat appellante niet tot het verrichten van rugbelastende werkzaamheden in staat is. Bij de opstelling van de FML van 11 augustus 2005 is de bezwaarverzekeringsarts uitgegaan van een forse beperking ten aanzien van de belastbaarheid van de rug en het uitvoeren van diverse bewegingen.

4.2. Anders dan appellante meent, biedt de beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten voor haar stelling dat zij met haar klachten niet in staat zou zijn om te werken gedurende een volledige werkdag. Dat appellante met inachtneming van de door de bezwaarverzekeringsarts in de FML verwoorde voorwaarden voor afwisseling van zitten met staan en lopen in combinatie met de overigens opgenomen beperkingen niet in staat kan worden geacht om op de datum in geding gedurende ten minste 8 uren per dag in werkzaamheden te functioneren, ziet de Raad niet in. De Raad onderschrijft de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 13 april 2007 dat in de rapportage van Van Rolde van 19 maart 2007 geen voldoende medische onderbouwing van een urenbeperking is te vinden.

4.3. De Raad volgt de rechtbank niet in het oordeel dat met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 augustus 2005 genoegzaam is komen vast te staan dat appellante met haar beperkingen in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

4.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de FML bij item 2 van rubriek 4 (zitten tijdens het werk) vermeld dat appellante in staat is om het grootste deel van de werkdag te zitten. Maar hij acht haar niet in staat tot het uitvoeren van volledig zittend werk. Het is naar zijn opvatting noodzakelijk dat appellante minimaal om het uur even moet kunnen staan of lopen in een recuperatieperiode van minimaal 5 à 10 minuten.

4.5. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de functies op dit aspect beoordeeld en vastgesteld dat in alle functies de mogelijkheid aanwezig is om – al dan niet naar eigen – believen te vertreden.

4.6. De Raad is van oordeel dat met deze toelichting van de arbeidsdeskundige niet voldoende vaststaat dat appellante in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, die alle zien op zittend werk dat kortstondig wordt afgewisseld met staan en lopen, de mogelijkheid vindt om in elk uur gedurende een aaneengesloten periode van minimaal 5 à 10 minuten te staan en te lopen. Uit het Resultaat Functiebeoordeling komt veeleer naar voren dat, zo de functionaris zijn werkzaamheden al zo zou kunnen indelen dat hij elk uur kan staan of lopen, in het merendeel van de functies de duur van het staan en lopen beperkt blijft tot perioden van één tot 5 minuten. Daarmee wordt niet toegekomen aan de door de bezwaarverzekeringsarts in verband met de aard en de ernst van de rugklachten van appellante noodzakelijk geachte recuperatieduur.

4.7. Het ontbreken van een specifieke op de motivering van de recuperatiemogelijkheden in de geselecteerde functies gerichte toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige brengt mee dat het bestreden besluit een voldoende motivering mist. Dat betekent dat het wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd.

4.8. De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven. Het Uwv zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van appellante met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, vermeerderd met € 44,- voor de kosten van de in hoger beroep ingebrachte medische rapportage, in totaal € 1.332,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.332,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R. Benza.

TM