Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
08-2537 WAO + 08-3025 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (25-35%). Ter uitvoering uitspraak rechtbank heeft Uwv nieuw gelijkluidend besluit genomen met een nadere verzekeringsgeneeskundige onderbouwing. Gegeven de eis van objectivering welke uit het arbeidsongeschiktheidsbegrip van de WAO voortvloeit kan het dagverhaal op zich nimmer een zelfstandige reden vormen voor herziening. Nieuwe besluit voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2537 WAO + 08/3025 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats]

(hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 maart 2008, 07/2979,

(hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op 5 mei 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen en dit besluit alsmede het daaraan ten grondslag liggende rapport van 28 april 2008 van M. Carere, bezwaarverzekeringsarts, naar de Raad gezonden.

Het Uwv heeft bij brief van 9 februari 2009 een rapport van M. Carere voornoemd van

2 februari 2009 in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009. Aanwezig waren voormelde gemachtigde en de echtgenoot van appellante. Namens het Uwv was

mr. E.T.J. van de Pavert aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 26 januari 2000 uitgevallen met zwangerschapsklachten, rugklachten en klachten in verband met bekkeninstabiliteit (naderhand is tevens als mogelijke diagnose fibromyalgie gesteld). Na afloop van de wettelijke wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Een herbeoordeling in 2003 heeft tot de conclusie geleid dat haar WAO-uitkering ongewijzigd kon worden voortgezet; daarbij is een zogenoemde urenbeperking in aanmerking genomen van ongeveer 4 uur per dag (gemiddeld 20 uur per week). Bij een nieuwe herbeoordeling in 2005 is appellante opnieuw gezien door een verzekeringsarts, die een groot aantal beperkingen heeft opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) maar de urenbeperking heeft laten vervallen. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens een aantal functies voor appellante geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 22,3%. Het Uwv heeft bij besluit van 25 januari 2006 de WAO-uitkering van appellante per 26 maart 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Het namens appellante tegen dit besluit ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 28 juni 2006 ongegrond verklaard. Namens appellante is tegen het besluit van 28 juni 2006 beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 mei 2007, 06/3574, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 juni 2006 vernietigd, alsmede beslissingen genomen over het vergoeden van proceskosten en het betalen van griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat, nu het dagverhaal van appellante uit 2005 niet wezenlijk verschilt van haar dagverhaal uit 2003 en ook het Uwv erkent dat zij energetische beperkingen heeft, het niet zonder meer inzichtelijk is waarom de urenbeperking in 2005 is vervallen. Het in beroep bestreden besluit heeft de rechtbank wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd.

1.2. Het Uwv heeft in voormelde uitspraak berust en heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar van 29 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit 1) genomen. Daarin is, onder gegrondverklaring van het bezwaar van appellante, besloten haar WAO-uitkering per 26 maart 2006 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Aan dit besluit liggen onder meer de rapporten van 28 februari 2007 en 26 maart 2007 ten grondslag, waarin een toelichting is gegeven op de eventuele belastende aspecten van de geduide functies en is uiteengezet dat appellante in verband met een aanvankelijk onjuiste berekening van het maatmanloon recht heeft op uitkering naar een percentage van 25 tot 35%. Tevens ligt aan dit besluit ten grondslag het rapport van 27 juni 2007 van M. Carere voornoemd, waarin deze de overwegingen weergeeft die hebben geleid tot het laten vervallen van de urenbeperking.

3. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Daarbij is er onder meer op gewezen, dat de medische situatie van appellante niet is verbeterd, dat ook de rechtbank heeft onderkend dat appellante energetische beperkingen heeft en dat er bij een onveranderd dagverhaal alle aanleiding is tot het handhaven van de urenbeperking.

4.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Tevens heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat de aanwezigheid van energetische beperkingen nog niet automatisch inhoudt dat een urenbeperking in acht moet worden genomen. Het Uwv heeft er, volgens de rechtbank, met recht op gewezen, dat het dagverhaal in een bredere medische context dient te worden bezien en dat er

– inmiddels – geen medische indicatie meer is voor het overdag rusten van appellante. Nu appellante zelf geen nadere onderbouwing van de gestelde noodzaak tot het aannemen van een urenbeperking heeft gegeven, slaagt het beroep tegen het laten vervallen van de urenbeperking niet.

4.2. Desalniettemin heeft de rechtbank de grondslag van het bestreden besluit 1 ondeugdelijk geacht: het is volgens de rechtbank zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat er in de FML onder punt 4.3.8 (hand- en vingergebruik) voor appellante een beperking is aangebracht, terwijl onder punt 4.6 (werken met toetsenbord en muis) voor haar in het geheel geen beperking geldt. De rechtbank acht de voor appellante opgestelde FML op deze punten tegenstrijdig. Zij heeft het bestreden besluit 1 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd.

5.1. In het namens appellante ingestelde hoger beroep is met name bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank omtrent het niet langer handhaven van de urenbeperking: onder verwijzing naar een brief van de huisarts van appellante van 24 april 2008 is er – nogmaals – op gewezen dat haar medische situatie sedert 2003 niet is veranderd, dat het oordeel van Carere op dit punt derhalve onjuist is en dat ten onrechte door het Uwv gesteld wordt dat er gewenning bij appellante is opgetreden met betrekking tot het rusten casu quo dat voor deze stelling van het Uwv geen toereikende basis aanwezig is. Ook de veronderstelling dat het herstelgedrag van appellante niet adequaat zou zijn, is onjuist, waarbij gewezen is op de training bij het Spine en Joint Centrum te Rotterdam, welke appellante in 2008 heeft gevolgd.

5.2. Het Uwv heeft op 5 mei 2008 een nieuw besluit op bezwaar (hierna: het bestreden besluit 2) genomen. Daarin is besloten om het percentage van arbeidsongeschiktheid per 23 maart 2006 ongewijzigd te handhaven, zulks onder verwijzing naar een rapport van 28 april 2008 van M. Carere voornoemd. In dit rapport geeft deze aan dat er weliswaar sprake is van stijfheid in de handen, maar dat onderzoek op 23 april 2008 geen aanwijzingen voor het bestaan van reuma of een ontstekingsreactie heeft opgeleverd, terwijl de knijpkracht en de fijne motoriek van de handen ongestoord waren. Van een tegenstrijdigheid als door de rechtbank bedoeld in de FML is geen sprake. Namens appellante is met name dit laatste ter zitting bestreden.

6. De Raad oordeelt als volgt.

6.1. De Raad merkt allereerst op dat het bezwaar van (de gemachtigde van)

appellante tegen het in geding brengen van het rapport van 2 februari 2009 van M. Carere voornoemd wordt verworpen nu namens appellante ter zitting inhoudelijk op dit rapport is ingegaan.

6.2.1. Met betrekking tot het geschil tussen partijen over de urenbeperking wijst de Raad erop, dat – gegeven de eis van objectivering welke uit het arbeidsongeschiktheidsbegrip van de WAO voortvloeit – het dagverhaal op zich nimmer een zelfstandige reden kan vormen voor het toekennen, herzien of intrekken van WAO-uitkering. Het dagverhaal zal, samen met andere (medische) gegevens, gewogen dienen te worden en de daaruit te trekken conclusies kunnen per geval verschillen. Dit betekent dat het zeer wel mogelijk is dat bij een (enigszins) verbeterde medische situatie dan wel een situatie waarin het onverklaarbaar blijft dat de klachten van de betrokkene in dezelfde mate blijven bestaan, de interpretatie van het dagverhaal, ook al is dit niet veranderd, toch tot een andere conclusie kan leiden dan voorheen. Daarbij is er door de rechtbank met recht op gewezen, dat het enkele bestaan van een energetische beperking nog niet (steeds) tot het aannemen van een urenbeperking hoeft te leiden. In dit licht gezien acht de Raad de door de bezwaarverzekeringsarts in de rapporten van 27 juni 2007 en van 28 april 2008 gegeven onderbouwing voor het laten vervallen van de urenbeperking toereikend.

6.2.2. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6.3. De Raad stelt vast dat het besluit van 5 mei 2008 (bestreden besluit 2) niet aan het (hoger) beroep van appellante tegemoet komt. De Raad zal het hoger beroep met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb mede gericht achten tegen het bestreden besluit 2.

6.4.1. Het Uwv heeft ter onderbouwing van dit besluit een nadere motivering gegeven van het handhaven van een beperking op het item hand- en vingergebruik en het niet opnemen van een beperking op het item 4.6. De Raad merkt op, dat het hier twee verschillende items in de FML betreft, waarbij het op zich zeer wel mogelijk is dat bij het ene item wel en bij het andere geen beperking wordt aangegeven. In dit geval heeft de verzekeringsarts ten aanzien van appellante bij het item 4.3.8 “geen continu repeterende bewegingen” vermeld. Het gebruik van toetsenbord en muis behoeft niet te betekenen dat van deze bewegingen sprake is; in die zin is van tegenstrijdigheid geen sprake. Bovendien kan, gelet op de toelichting gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 28 februari 2007 en het rapport van 28 april 2008 van M. Carere en op de mate waarin blijkens de gedingstukken in de geduide functies het gebruik van toetsenbord en muis aan de orde is, niet worden gesteld dat in een van deze functies sprake is van continu repeterende bewegingen als in de FML bedoeld. Een overschrijding van de belastbaarheid van appellante op dit punt is derhalve niet aan de orde.

6.4.2. Ook overigens is de Raad, gelet op onder andere voormelde arbeidskundige toelichting, niet gebleken dat de belasting van de geduide functies de belastbaarheid van appellante overtreft.

7. Het voorgaande betekent, dat het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

8. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en

J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 april 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

TM