Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9984

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
08-158 WSF + 08-159 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat appellanten geen belang hebben bij de beoordeling van hun beroep. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellanten met hun beroep niet meer kunnen bereiken dan zij reeds in bezwaar hebben bereikt. Terecht heeft de rechtbank appellanten dan ook niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep. Geen aanleiding de kosten van behandeling van bezwaar te vergoeden. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/158 WSF en 08/159 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 november 2007, 07/142 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellanten waren vertegenwoordigd door mr. Van Dijk en de IB-Groep door mr. G.J.M. Naber.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten gericht tegen het besluit van 3 februari 2007, waarbij de IB-Groep – beslissend op bezwaar – de veronderstelde ouderlijke bijdrage van appellante [appellante] voor het jaar 2007 ten behoeve van appellant [appellant] op nihil heeft gesteld, niet ontvankelijk verklaard.

1.2. De aangevallen uitspraak rust – kort samengevat – op de overweging dat appellanten geen belang bij beoordeling van hun beroep hebben, omdat de veronderstelde ouderlijke bijdrage reeds op nihil is gesteld en een verdere verlaging mitsdien niet tot de mogelijkheden behoort.

2.1. In hoger beroep hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Naar hun mening bestaat er procesbelang omdat nog niet is beslist op het bezwaar gericht tegen het besluit van 6 oktober 2006, Bericht Studiefinanciering 2006, nr. 3 inzake een verrekening van studieschuld. Voorts achten zij het onjuist dat in de aangevallen uitspraak is nagelaten de IB-Groep te veroordelen in de gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar.

2.2. De IB-Groep heeft in verweer gesteld dat het besluit van 6 oktober 2006 – een besluit tot verrekening van een zogenoemde kortlopende schuld van appellant [appellant] – op geen enkele wijze een rol speelt in deze procedure. In deze procedure is slechts een besluit in geding tot vaststelling van de ouderlijke bijdrage.

2.3. De IB-Groep heeft voorts – onder verwijzing naar artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – aangevoerd dat een veroordeling in de kosten als waarom door de gemachtigde van appellanten is gevraagd niet tot de mogelijkheden behoort, reeds omdat niet voor het besluit op bezwaar om vergoeding van deze kosten is gevraagd.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat appellanten geen belang hebben bij de beoordeling van hun beroep. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellanten met hun beroep niet meer kunnen bereiken dan zij reeds in bezwaar hebben bereikt. Terecht heeft de rechtbank appellanten dan ook

niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep.

3.3. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd ter zake van het besluit van 6 oktober 2006, nr. 3 speelt in deze procedure – naar de IB-Groep terecht heeft aangegeven – geen rol.

Omtrent hetgeen appellanten hebben aangevoerd ter zake van het besluit van 6 oktober 2006 heeft de Raad overigens geoordeeld in zijn uitspraak van heden, nummer 08/155 WSF.

3.4. Terecht heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te bepalen dat de kosten van behandeling van bezwaar dienen te worden vergoed. Dit omdat niet voordat op bezwaar is beslist, is verzocht om vergoeding van die kosten. Artikel 7:15, derde lid, van de Awb maakt in zo’n geval vergoeding van die kosten niet mogelijk.

3.5. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

TM