Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
07-5938 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hetgeen appellante in hoger beroep wederom heeft aangevoerd omtrent de omvang van haar studieschuld gaat eraan voorbij dat het bericht van de datum in geding geen besluit is waartegen bezwaar kan worden gemaakt, omdat het bericht geen wijziging brengt in de hoogte van haar studieschuld, maar slechts weergeeft de hoogte van haar totale schuld als gevolg van eerdere besluiten tot vaststelling van ontstane studieschuld. Laatstbedoelde besluiten zijn, nu appellante tegen die besluiten geen rechtsmiddelen heeft aangewend, in rechte onaantastbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5938 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 oktober 2007, 07/798 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellante is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij bericht van 3 februari 2007 heeft de IB-Groep aan appellante een overzicht van haar per die datum bestaande studieschuld gezonden.

1.2. Bij besluit van 11 mei 2007 heeft de IB-Groep het door appellante tegen het bericht van 3 februari 2007 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De IB-Groep heeft dit besluit – kort samengevat – doen steunen op de overweging dat het bericht van 3 februari 2007 niet is gericht op rechtsgevolg en mitsdien geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

2. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het door appellante tegen het besluit van 11 mei 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de IB-Groep terecht beslist als weergegeven in overweging 1.2.

3.1. In hoger beroep heeft appellante in essentie herhaald hetgeen zij reeds in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Zij heeft er – kort samengevat – wederom op gewezen dat zij geen schuld heeft, maar nog geld tegoed heeft van de IB-Groep.

3.2. De IB-Groep heeft zich in verweer achter de aangevallen uitspraak geschaard. De IB-Groep heeft daarbij gewezen op haar aan appellante gerichte brief van 2 oktober 2007 waarbij zij op uitgebreide wijze heeft uiteengezet welke aanvragen appellante heeft gedaan, welke besluiten daarop zijn gevolgd en welke betalingen van appellante zijn ontvangen.

4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het beroep van appellante terecht ongegrond verklaard. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep wederom heeft aangevoerd omtrent de omvang van haar studieschuld gaat eraan voorbij dat het bericht van 3 februari 2007 geen besluit is waartegen bezwaar kan worden gemaakt, omdat het bericht geen wijziging brengt in de hoogte van haar studieschuld, maar slechts weergeeft de hoogte van haar totale schuld als gevolg van eerdere besluiten tot vaststelling van ontstane studieschuld. Laatstbedoelde besluiten zijn, nu appellante tegen die besluiten geen rechtsmiddelen heeft aangewend, in rechte onaantastbaar.

4.3. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

TM