Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
08-3365 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Appellant heeft niet binnen de in artikel 75k van de Ziektewet voorgeschreven termijn van twee weken bezwaar gemaakt tegen het besluit van de datum in geding. De door appellant aangevoerde omstandigheden vormen geen reden voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Nu het besluit niet tijdig is aangevochten kan een beoordeling van een eventueel daaraan klevend gebrek, zoals door appellant gesteld, hier niet aan de orde komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3365 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 20 mei 2008, 07/4810 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.A. Timmer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die laatstelijk werkzaam is geweest als tuinbouwmedewerker, heeft zich op 9 oktober 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.

1.2. Bij formulierbrief van 4 mei 2007 is namens het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij op en na 11 mei 2007 geschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij vanaf deze datum geen recht meer had op een ziektewetuitkering. Bij brief van 24 mei 2007 is aan appellant van de zijde van het Uwv meegedeeld dat de ziektewetuitkering met ingang van 11 mei 2007 werd beëindigd. Naar aanleiding van deze brief is namens appellant bij het Uwv een bezwaarschrift d.d. 31 mei 2007 ingediend.

2. Bij besluit van 25 juni 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv, onder overweging dat voormelde brief van 24 mei 2007 geen besluit bevat en dat het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2007 niet tijdig is ingediend, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, omdat het bezwaar naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden niet-ontvankelijk was verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat voormelde formulierbrief van 4 mei 2007 op rechtsgevolg is gericht en dus een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen niet binnen de in artikel 75k van de Ziektewet (ZW) vastgestelde termijn van twee weken bezwaar is gemaakt. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat voormelde brief van 24 mei 2007 een herhaling is van het eerdere besluit van 4 mei 2007, zodat deze brief geen zelfstandig rechtsgevolg heeft.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat een bedrijfsarts de keuring heeft verricht en de hersteldmelding heeft ondertekend en dat onduidelijk is of deze hiertoe wel bevoegd is. Volgens appellant is het verder niet duidelijk dat voormelde formulierbrief van 4 mei 2007 een beslissing bevat over het recht op ZW-uitkering. Gelet op zijn ervaring uit 2004 verwachtte appellant een hersteldverklaring, gevolgd door een beslissing over de ZW-uitkering, aan welke verwachting met de brief van 24 mei 2007 tegemoet werd gekomen. Ook de bezwaarclausule op voormeld formulier van 4 mei 2007 was volgens appellant onvoldoende duidelijk kenbaar.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Zoals de Raad onder meer in zijn uitspraak van 8 oktober 2008, LJN BF8063, heeft beslist moet een hersteldverklaring door een verzekeringsarts worden aangemerkt als een feitelijke mededeling en niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Door een dergelijke verklaring worden immers geen rechtsgevolgen in het leven geroepen. Dat is eerst het geval met een besluit, waarbij als gevolg van die hersteldverklaring ziekengeld wordt geweigerd.

5.2. De Raad stelt vast dat voormelde brief van 4 mei 2007 niet slechts de mededeling bevat dat appellant met ingang van 11 mei 2007 niet langer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid, maar ook de mededeling, dat hij met ingang van deze datum geen recht meer had op een ZW-uitkering. Deze brief is mitsdien gericht op rechtsgevolg, te weten intrekking van de toegekende uitkering, zodat hier moet worden gesproken van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

5.3. De Raad onderschrijft eveneens het oordeel van de rechtbank dat de in voormelde brief van 24 mei 2007 vervatte mededeling inzake de beëindiging van het ziekengeld geen ander rechtsgevolg in het leven roept dan reeds met het besluit van 4 mei 2007 was bereikt.

5.4. De Raad stelt verder, in navolging van de rechtbank, vast dat appellant niet binnen de in artikel 75k van de Ziektewet voorgeschreven termijn van twee weken bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 4 mei 2007. De door appellant aangevoerd omstandigheden vormen geen reden voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Nu het besluit van 4 mei 2007 niet tijdig is aangevochten kan een beoordeling van een eventueel daaraan klevend gebrek, zoals door appellant gesteld, hier niet aan de orde komen.

5.5. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor en proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

KR