Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9466

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
04-5323 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep ingetrokken met het gelijktijdig verzoek het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente en vergoeding van de kosten van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep. Aansluiting zoeken bij het burgerrechtelijk schadevergoedingsrecht. Indien na bezwaar door een bestuursorgaan een primair besluit wordt herroepen, omdat dat primaire besluit onrechtmatig blijkt te zijn, is daarmee in beginsel ook de schuld van het bestuursorgaan met betrekking tot dat in bezwaar onrechtmatig gebleken besluit gegeven. Is alle geclaimde loonschade een gevolg is van het onrechtmatige primaire besluit? Het Uwv kan voor niet meer dan 70% van het doorbetaalde loon, althans het wettelijk minimum loon, vermeerderd met het over die periode betaalde vakantiegeld aansprakelijk worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5323 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 augustus 2004, 03/4919 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Th.W.J. Wildeboer, werkzaam bij HdSV te Zwolle, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij brief van 15 augustus 2006 heeft mr. Wildeboer namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente en vergoeding van de kosten van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep.

Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Bij brief van 13 november 2007 heeft mr. Wildeboer het verzoek nader toegelicht, gevolgd door een reactie van het Uwv van 30 november 2007.

Desgevraagd heeft mr. Wildeboer bij brief van 14 maart 2008 het verzoek om schadevergoeding nader gespecificeerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Bosma.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Op de in een brief van 18 juli 2008 door de Raad gestelde vragen heeft de gemachtigde van appellante bij brief van 11 augustus 2008 gereageerd en nieuwe stukken ingezonden. Hierop heeft het Uwv bij brief van 14 oktober 2008 een reactie gegeven. Daarop is van de zijde van appellante bij brief van 19 november 2008 nog een nadere reactie gevolgd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven nader onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.

1.2. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

1.3. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

2. De Raad stelt vast dat het Uwv op 2 mei 2006 een nieuw besluit heeft genomen op het bezwaar van appellante tegen de haar bij besluit van 31 juli 2003 opgelegde loondoorbetalingsverplichting over de periode 14 oktober 2003 tot en met

13 februari 2004. Bij het besluit van 2 mei 2006 is het bezwaar alsnog gegrond verklaard en is het besluit van 31 juli 2003 herroepen.

3.1. Namens appellante is de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het loonbedrag van € 7.232,91 dat appellante ten onrechte als loonsanctie heeft moeten betalen, alsmede over de vakantietoeslag ad € 596,72. Appellante heeft de wettelijke rente over het loonbedrag over de periode van 14 oktober 2003 tot 3 mei 2006 berekend op € 929,51. De wettelijke rente over het vakantiegeld (€ 46,68) heeft appellante berekend over de periode vanaf 1 juni 2004.

3.2. Het Uwv heeft betwist aansprakelijk te zijn voor de door appellante geleden loonschade. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellante het ten onrechte doorbetaalde loon vermeerderd met de wettelijke rente op de werknemer kan verhalen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Naar de Raad reeds vele malen heeft uitgesproken, dient bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het burgerrechtelijk schadevergoedingsrecht. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van 1 juli 1993, LJN: ZC1036) dat, indien een overheidslichaam een besluit neemt en handhaaft dat naderhand wordt vernietigd wegens strijd met een wettelijke bepaling, het jegens de door die beschikking getroffene een onrechtmatige daad begaat. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven. In aansluiting hierop heeft de Raad in zijn uitspraak van 24 februari 1998, LJN: AA8776, geoordeeld dat, indien na bezwaar door een bestuursorgaan een primair besluit wordt herroepen, omdat dat primaire besluit onrechtmatig blijkt te zijn, daarmee in beginsel ook de schuld van het bestuursorgaan met betrekking tot dat in bezwaar onrechtmatig gebleken besluit is gegeven.

4.2. Niet in geding is dat het Uwv bij het besluit van 2 mei 2006 geheel aan het bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2003 is tegemoetgekomen en de loonsanctie niet langer heeft gehandhaafd. Daarmee staat de onrechtmatigheid van het besluit van 31 juli 2003 in rechte vast. Met het onrechtmatige besluit van 31 juli 2003 heeft het Uwv een onrechtmatige daad begaan jegens appellante. Die onrechtmatige daad dient het Uwv te worden toegerekend. Daarmee is de schadevergoedingsplicht van het Uwv in beginsel gegeven. Naar het oordeel van de Raad dient de situatie die zich in het onderhavige geval voordoet met herroeping van het primaire besluit van 31 juli 2003 gelijk te worden gesteld.

4.3. De vraag is vervolgens of alle geclaimde loonschade een gevolg is van het onrechtmatige primaire besluit.

4.3.1. Wil een verzoek om schadevergoeding kunnen worden gehonoreerd, dan zal genoegzaam aannemelijk moeten zijn dat de gestelde schade in zodanig verband staat met het onrechtmatige besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.

4.3.2. Artikel 71a, negende lid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bepaalt, onder meer, dat het Uwv een tijdvak vaststelt gedurende welke de werknemer jegens de werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, indien bij de behandeling van de aanvraag bedoeld in artikel 34, derde lid, en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gesteld regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

4.3.3. Ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek zoals dat artikel luidde ten tijde in geding behoudt de werknemer, voor zover het loon niet meer bedraagt dan het maximum dagloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, voor een tijdvak van 52 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.

4.3.4. De Raad is van oordeel dat gelet op de in 4.3.2 en 4.3.3 weergegeven wettelijke bepalingen, in onderlinge samenhang gelezen, de aan appellante opgelegde loondoorbetalingsverplichting van vier maanden niet meer inhield dan de verplichting voor appellante gedurende die periode aan de werknemer 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, althans het wettelijk minimumloon, te betalen. Dit heeft tot gevolg dat in beginsel niet 100% maar 70% van het als gevolg van het onrechtmatige loonsanctiebesluit doorbetaalde loon aan het Uwv kan worden toegerekend, zij het met inachtneming van voormeld minimum.

4.3.5. De Raad stelt vast dat blijkens de brief van appellante van 11 augustus 2008 en de nadere toelichting in de brief van 19 november 2008 het bedrag aan doorbetaald loon, waarover wettelijke rente wordt gevorderd, in totaal € 7.300,94 bedraagt en dat dit bedrag is gebaseerd op een loondoorbetaling van 100%. Gelet op hetgeen in 4.3.4 is overwogen, kan het Uwv voor niet meer dan 70% van het over de periode van 14 oktober 2003 tot en met 13 februari 2004 doorbetaalde loon, althans het wettelijk minimum loon, vermeerderd met het over die periode betaalde vakantiegeld aansprakelijk worden gesteld.

4.4.1 De Raad stelt vast dat appellante wettelijke rente over het doorbetaalde loon vordert over de periode van 14 oktober 2003 tot 3 mei 2006. Deze periode is korter dan de periode die ingevolge de jurisprudentie van de Raad in aanmerking kan worden genomen. Gelet daarop ziet de Raad geen beletsel om de periode waarover wettelijke rente over de loondoorbetaling wordt gevorderd, anders dan in voormelde jurisprudentie, in het onderhavige geval te laten aanvangen op 14 oktober 2003. De periode waarover wettelijke rente over de betaalde vakantietoeslag wordt gevorderd heeft appellante laten aanvangen op 1 juni 2004.

5. Voorts is er aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,- in bezwaar, € 644,- in beroep en € 483,- in hoger beroep, in totaal

€ 1.771,-.

6. Voor vergoeding van het door haar betaalde griffierecht dient appellante zich rechtstreeks tot het Uwv te wenden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van wettelijke rente zoals hiervoor aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.771,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) S. Sweep.

CVG