Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
08-4605 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens zijn declaratiegedrag. Nu meerdere verwijten geheel zijn weggevallen en slechts ter zake van één gedraging plichtsverzuim is blijven vaststaan, de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4605 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 20 juni 2008, 07/325 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met soortgelijke gedingen, plaatsgevonden op 5 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Wiersma, advocaat te Rotterdam. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.C. van Kleef en mr. A.J.M. van Meer, beiden werkzaam bij Van Kleef & Partners te Boskoop, en A.J. Verzijl, werkzaam bij het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (SVHW).

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden (ZHEW). Na de fusie op 1 januari 2005 van dit waterschap met drie andere waterschappen zijn de bij het ZHEW werkzame [functies] en [naam functies], onder wie appellant, in dienst gekomen bij het toen al bestaande SVHW. Bij het ZHEW hadden de medewerkers in de buitendienst zoals appellant aanspraak op een vaste forfaitaire maandelijkse vergoeding voor verblijfkosten, waarbij het blijkens de Regeling verblijfkosten ging om vergoedingen voor koffie/thee en lunch.

1.2. Met ingang van 1 mei 2005 is van toepassing geworden de Verordening dienstreizen SVHW. In artikel 5 van deze verordening is een regeling getroffen voor vergoeding van verblijfkosten indien deze aan dienstreizen zijn verbonden. In artikel 2, tweede lid, van het ter uitvoering van deze verordening vastgestelde Uitvoeringsbesluit Verordening dienstreizen SVHW zijn de maximale vergoedingen per dag voor lunch en voor koffie/thee overdag opgenomen. Deze bedroegen in 2005 voor de lunch € 10,96 en voor koffie/thee overdag € 3,48 en zijn nadien verhoogd overeenkomstig de bedragen in de door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde Reis-regeling binnenland. Ingevolge het derde lid van voormeld artikel moet de medewerker de gemaakte kosten met nota’s aantonen om voor vergoeding van verblijfkosten in aanmerking te komen.

1.3. Eind 2005 ontving de directie van het SVHW signalen dat de [functies] en [naam functies] declaraties voor verblijfkosten indienden die niet overeenkomstig de geldende regels waren. Na een intern onderzoek heeft de directie Deloitte Bijzonder Onderzoek & Integriteitsadvies B.V. (hierna: Deloitte) onderzoek laten doen naar mogelijke onregelmatigheden. Ook appellant is in dit onderzoek betrokken. Op 12 september 2006 heeft Deloitte onder meer over het declaratiegedrag van appellant een uitvoerig rapport uitgebracht.

1.4. Naar aanleiding van dit rapport heeft het dagelijks bestuur appellant bij brief van 19 oktober 2006 bericht dat een nader disciplinair onderzoek zal worden ingesteld in de vorm van door [B.], voormalig secretaris-algemeen directeur van het Hoogheemraadschap Rijnland (hierna: B.), af te nemen interviews. Appellant is op 2 november 2006 voor een gesprek met B. verschenen.

1.5. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het dagelijks bestuur appellant, na zijn voor-nemen daartoe aan hem kenbaar te hebben gemaakt en nadat appellant daarop had gereageerd, op grond van artikel 7.1.2, eerste lid, aanhef en onder j, van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregeling waterschapspersoneel (SAW) met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens zijn declaratiegedrag zoals dat blijkt uit het rapport van Deloitte.

1.6. Bij uitspraak van 7 maart 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht het ontslagbesluit van 23 januari 2007 geschorst tot zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is verzonden.

1.7. Bij brief van 3 april 2007 heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het volgens hem niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar dat hij heeft ingediend tegen het besluit van 23 januari 2007.

1.8. Bij besluit van 11 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit van 23 januari 2007 ongegrond verklaard.

1.9. Bij uitspraak van 10 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht het bestreden besluit en het primaire besluit van 23 januari 2007 geschorst totdat op het beroep is beslist. Appellant heeft op 23 juli 2007 bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend in verband met de kennelijke weigering van het dagelijks bestuur om tijdig uitvoering te geven aan deze uitspraak. Bij uitspraak van 7 augustus 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht dit verzoek toegewezen en in aanvulling op de bij uitspraak van 10 juli 2007 getroffen voorlopige voorziening bepaald dat het dagelijks bestuur hieraan alsnog uitvoering geeft op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat het dagelijks bestuur in gebreke blijft, ingaande een dag na verzending van de uitspraak. Met ingang van september 2007 heeft appellant zijn werkzaamheden als deurwaarder hervat tot de bekendmaking van de aangevallen uitspraak.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk is. Appellant had immers geen belang meer bij een oordeel over zijn beroep nu het dagelijks bestuur op 11 mei 2007 alsnog op het bezwaar had beslist. Wel onderschrijft de Raad het standpunt van appellant dat de rechtbank verzuimd heeft haar oordeel dat appellant in verband hiermee in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding van € 80,50,- in het dictum tot uitdrukking te brengen. De Raad zal de aangevallen uitspraak in zoverre dan ook vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad een proceskostenveroordeling uitspreken.

3.2. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank gevolgd kan worden in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand houdt.

3.3. Aan het ontslagbesluit is ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim bestaande uit het ten onrechte declareren van de kosten van koek, chips, snacks en snoep, het indienen van twee beschadigde bonnen waarbij één bon een privélunch voor twee personen buiten appellants werkgebied betreft en het indienen van declaraties zonder bon. De Raad stelt vast dat het dagelijks bestuur tijdens de zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 21 juni 2007 heeft aangegeven dat het gestelde in het bestreden besluit inzake het indienen van declaraties zonder bon slechts een constatering en geen verwijt betreft en dat het verwijt met betrekking tot het declareren van snacks is vervallen. De Raad stelt voorts vast dat het dagelijks bestuur in de loop van de procedure, waaronder ook tijdens de zitting bij de Raad, appellant gedragingen heeft verweten welke niet aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd. De Raad acht deze uitbreiding van het aan appellant ten laste gelegde plichtsverzuim niet aanvaardbaar. Het vorenstaande betekent dat als verweten gedragingen resteren het ten onrechte declareren van de kosten van koek, chips en snoep en het indienen van twee beschadigde bonnen waarbij één bon volgens het dagelijks bestuur een privélunch voor twee personen buiten verzoekers werkgebied betreft.

3.4. Tijdens de zitting heeft het dagelijks bestuur desgevraagd meegedeeld dat koek en chips als lunch kunnen worden aangemerkt, mits er sprake is van normale hoeveelheden. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellant ten onrechte is verweten dat hij op 1 februari 2006 om 13.12 uur een Peijnenburgkoek en op 6 februari 2006 om 13.13 uur een mueslireep en Japanse supermix heeft gekocht en gedeclareerd. Wel onderschrijft de Raad het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellant ten onrechte stripfruit, volgens appellant een soort fruitgebak, heeft gedeclareerd ten bedrage van € 2,10, hetgeen op 21 december 2005 om 11.13 uur door appellant is aangeschaft. Gelet ook op de drie op die dag om 11.51 uur door appellant aangeschafte broodjes, welke door hem ook zijn gedeclareerd, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gesteld dat dit stripfruit als lunch was bedoeld. Aangezien de van toepassing zijnde Verordening dienstreizen SVHW noch het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit voorziet in een vergoeding voor een dergelijke uitgave betekent dat dat appellant zich in zoverre schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

3.5. Appellant heeft gesteld dat in de onderzochte periode circa 380 bonnetjes door hem zijn ingediend. Het dagelijks bestuur heeft dit niet weersproken. In het licht hiervan acht de Raad niet onaanvaardbaar appellants stelling dat de twee door hem ingediende beschadigde bonnen mogelijk niet goed van de rol zijn gescheurd, zodat ter zake geen plichtsverzuim kan worden aangenomen.

3.6. De Raad onderschrijft niet het standpunt van het dagelijks bestuur dat de bon van 28 maart 2006, die als producten vermeld: Ital. Sandw, Foc. Zalm, Ci. Roomkaas en Beker kin 2x, onmiskenbaar een lunch voor twee personen betreft. De Raad merkt hierbij op dat appellant ook op 21 december 2005 drie broodjes heeft afgerekend die door het dagelijks bestuur wel zijn aanvaard. Voor zover het dagelijks bestuur heeft betoogd dat de lunch net buiten het werkgebied van appellant is genoten, merkt de Raad op dat in de Verordening dienstreizen SVHW noch het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit is vermeld dat slechts binnen het werkgebied mag worden geluncht. In zoverre kan evenmin plichtsverzuim worden aangenomen.

3.7. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat nu meerdere verwijten geheel zijn weggevallen en slechts ter zake van één gedraging plichtsverzuim is blijven vaststaan, de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is te achten. De Raad zal de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen en, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het dagelijks bestuur opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Daarbij zal het dagelijks bestuur tevens dienen te beslissen over de door appellant gevraagde vergoeding voor de kosten van bezwaar.

4. Ter zake van de door appellant verzochte toekenning van schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), oordeelt de Raad als volgt. De Raad stelt vast dat de totale duur van de procedure, te rekenen vanaf 29 januari 2007, zijnde de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, tot de datum waarop de onderhavige uitspraak wordt gedaan niet zodanig lang is dat de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn is overschreden. Hieruit volgt dat het hier bedoelde verzoek om toekenning van schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 80,50 wegens kosten van rechtsbijstand ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, en tot een bedrag van € 644,- voor overige kosten van rechtskundige bijstand. Tevens wordt het dagelijks bestuur veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep tot een bedrag van eveneens € 644,- wegens rechtsbijstand. Ten aanzien van laatstgenoemde bedragen overweegt de Raad dat gewichtsfactor 1 (gemiddeld) dient te worden toegepast. In de door appellant aangevoerde omstandigheden ziet de Raad geen reden om het gewicht van de zaak in dit geval hoger te waarderen. Het totale bedrag aan te vergoeden proceskosten bedraagt derhalve € 1.368,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de daarin opgenomen niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 mei 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt het dagelijks bestuur op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.368,50, te betalen door het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling;

Bepaalt dat het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD