Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9439

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-1689 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgkantoor geen belanghebbende bij indicatiebesluit. Besluitvorming over de indicatiestelling is voorbehouden aan CIZ en de besluitvorming over de realisering - in natura dan wel in de vorm van een PGB - aan het uitvoeringsorgaan bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h van de AWBZ, onderscheidenlijk aan het zorgkantoor. Door deze scheiding van taken en bevoegdheden oordeelt de Raad dat de aan Zorgkantoor toevertrouwde belangen ter zake van de verlening van PGB’s als zodanig niet rechtstreeks betrokken zijn bij het besluit tot indicatiestelling van de zorg van een verzekerde. Het innemen van een ander standpunt over de aan het Zorgkantoor opgedragen taak, zou betekenen dat de bevoegdheidsverdeling tussen het indicatieorgaan en het zorgkantoor wordt doorkruist.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2009, 51 met annotatie van mr. J. Hallie
RSV 2009/208
ABkort 2009/158
USZ 2009/153
JB 2009/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1689 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

Zorgkantoor Flevoland, gevestigd te Zwolle, (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 februari 2007, 06/618 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

[V.], wonende te [woonplaats], (hierna: [V.])

en

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, gevestigd te Driebergen-Rijsenburg, (hierna: CIZ).

Datum uitspraak: 1 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2009. Voor appellant is verschenen mr. L. Ganner, werkzaam bij het Zorgkantoor Flevoland. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater, mr. E.J.M. Raaijmakers en mr. N. Benedictus, allen werkzaam bij CIZ. Voor [V.] is W.M. Bosch, juridisch medewerker bij MEE Veluwe te Apeldoorn, verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. [V.], geboren op [datum] 1947 en zelfstandig wonend, is ten gevolge van een dwarslaesie bijna volledig verlamd en voor nagenoeg alle dagelijkse levensverrichtingen aangewezen op diverse vormen van zorg. Sinds 1995 ontvangt zij ter bekostiging van deze zorg een persoonsgebonden budget (PGB).

1.2. [V.] heeft op 5 mei 2004 ten behoeve van de voortzetting van het PGB verzocht om verlenging van de daarvoor noodzakelijke indicatie op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.3. Bij besluit van 17 mei 2004 heeft CIZ [V.] geïndiceerd voor:

- Huishoudelijke verzorging, 14 uur per week, voor de periode van 17 mei 2004 tot

2 augustus 2009;

- Persoonlijke verzorging, 91 uur per week, voor de periode van 17 mei 2004 tot

2 augustus 2009;

- Verpleging, 35 uur per week, voor de periode van 17 mei 2004 tot 2 augustus 2009.

1.4. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 17 mei 2004 ingediende bezwaar van appellant heeft een herindicatie plaatsgevonden, op grond waarvan [V.] bij besluit van 27 januari 2006 is geïndiceerd voor

- Ondersteunende begeleiding, klasse 2 (2-3,9 uur per week), voor de periode van 10 augustus 2004 tot en met 4 augustus 2009;

- Huishoudelijke verzorging, klasse 4 (7-9,9 uur per week), voor de periode van

10 augustus 2004 tot en met 4 augustus 2009;

- Persoonlijke verzorging, klasse 8 (20-24,9 uur per week) plus 16 additionele uren per week, voor de periode van 10 augustus 2004 tot en met 4 augustus 2009;

- Verpleging, klasse 1 (1-1,9 uur per week), voor de periode van 10 augustus 2004 tot en met 4 augustus 2009.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van [V.] tegen het besluit van 27 januari 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat CIZ met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt.

2.2. De rechtbank heeft - samengevat weergegeven - overwogen dat een indicatiebesluit strekt tot het vaststellen van de zorgbehoefte van de verzekerde en niet een rechtstreekse aanspraak geeft op een PGB. De rechtbank heeft er op gewezen dat de wetgever met de invoering van artikel 9a van de AWBZ heeft aangegeven belang te hechten aan een onafhankelijk deskundig oordeel omtrent de zorgbehoefte van verzekerden, dat als basis kan dienen voor het toekennen van aanspraken op grond van die wet. Het is aan het zorgkantoor als uitvoeringsorgaan voorbehouden om bij de honorering van een aanspraak een financiële afweging te maken. De rechtbank heeft tenslotte gewezen op in de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet (hierna: de Regeling) opgenomen mogelijkheden voor de zorgkantoren om van het indicatiebesluit af te wijken. Op grond van deze overwegingen heeft de rechtbank geoordeeld dat CIZ ten onrechte aan de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar van appellant is voorbijgegaan.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Samengevat weergegeven heeft appellant aangevoerd dat de financiële positie van appellant rechtstreeks wordt beïnvloed door het nemen van een indicatiebesluit.

De Regeling, zoals die luidde ten tijde in geding, biedt geen ruimte voor een eigen afweging voor de zorgkantoren. De in de Regeling voorziene mogelijkheid om een PGB te weigeren, indien de kosten van het budget ten opzichte van de kosten van verblijf in een instelling niet verantwoord zijn, doet aan de binding van het zorgkantoor aan het indicatiebesluit niet wezenlijk af.

3.2. CIZ heeft in hoger beroep aangegeven in te stemmen met de overwegingen van de rechtbank.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellant kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het door CIZ op de aanvraag van [V.] genomen indicatiebesluit van 17 mei 2004.

4.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.2.2. Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

4.2.3. Artikel 1:1, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder bestuurs-orgaan wordt verstaan:

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

4.3. De Raad is van oordeel dat appellant als bestuursorgaan moet worden aangemerkt nu hij is aangewezen als een van de organen die belast zijn met het beoordelen van en beslissen op aanvragen om toekenning van een PGB.

4.4. Met betrekking tot de vraag of appellant een belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, van de Awb, ontleent de Raad aan de memorie van toelichting bij dit

artikel dat de vraag “of kan worden gesproken van een aan een

bestuursorgaan als zodanig toevertrouwd belang moet worden beoordeeld aan de hand van de ta-ken die aan het bestuursorgaan in kwestie zijn opgedragen. Daarvoor is in de eerste plaats de wetgeving bepalend, waaruit voor sommige bestuursorganen ruime en voor andere bestuursorganen beperkte taakpakketten afleidbaar zijn” (PG Awb I, p. 149).

4.4.1. Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, voorzien burgemeester en

wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk

indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

4.4.2. De Raad stelt vast dat het in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ bedoelde orgaan in casu CIZ is.

4.4.3. Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien en gedurende de

periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

4.4.4. Ingevolge artikel 2.5.6.2, eerste lid, van de Regeling wordt op aanvraag aan zorgkantoren per kalenderjaar een subsidie verleend die is bestemd voor het met inachtneming van de artikelen 2.5.6.3 tot en met 2.5.6.13 verstrekken van netto persoonsgebonden budgetten.

4.4.5. Ingevolge artikel 2.5.6.3, eerste lid, van de Regeling verleent een zorgkantoor een verzeker-de een netto persoonsgebonden budget voorzover:

“a. de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op een of meer van de vormen van zorg als bedoeld in artikel 2.5.6.1, onderdeel b of d; en

b. de verzekerde voor die vorm of die vormen van zorg een netto persoonsgebonden

budget heeft aangevraagd.”

4.4.6. Ingevolge het derde lid van artikel 2.5.6.3 van de Regeling weigert het zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget indien de kosten van dat budget ten opzichte van de kosten van verblijf in een instelling naar zijn oordeel niet verantwoord zijn, tenzij de verzekerde een verzoek, als bedoeld in artikel 2.5.6.7, tweede lid, van de Regeling heeft gedaan. Ingevolge lid 5 van artikel 2.5.6.3 van de Regeling is het derde lid niet van toepassing indien voor verblijf naar het oordeel van een arts, niet zijnde een arts onder wiens behandeling de verzekerde staat, op medische gronden een contra-indicatie bestaat.

4.4.7. Ingevolge artikel 2.5.6.7, tweede lid, van de Regeling kan het zorgkantoor in de

situatie bedoeld in artikel 2.5.6.3, derde lid, op verzoek van de verzekerde een netto

persoonsgebonden budget verlenen ter hoogte van de kosten van verblijf in een instelling, als in dat lid is bedoeld.

4.5 Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 2 juli 2008 (LJN: BD6168) is het systeem van de indicatiestelling en de indicatierealisering, zoals onder meer

neergelegd in de onder 4.4. genoemde bepalingen, aldus dat de besluitvorming over de indicatie-stelling is voorbehouden aan CIZ en de besluitvorming over de realisering - in natura dan wel in de vorm van een PGB - aan het uitvoeringsorgaan bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h van de AWBZ, onderscheidenlijk aan het zorgkantoor. De wetgever heeft bij de invoering van artikel 9a van de AWBZ tot uitdrukking gebracht dat de taak van het indicatieorgaan om de zorgbehoefte van de verzekerde te beoordelen nadrukkelijk moet worden onderscheiden van de taak van de uit-voeringsorganen om de aanspraak op zorg tot gelding te (doen) brengen. Tot dat laatste behoort, indien de verzekerde daarvoor

gekozen heeft, het tot gelding brengen door middel van het toekennen van een PGB.

De Raad merkt daarbij op dat de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij brief van 30 november 2004 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten

Generaal heeft gesproken over ‘gescheiden verantwoordelijkheden’. De scheiding tussen objectieve vaststelling van de zorgbehoefte en toewijzing daarvan is door de

staatssecretaris aangemerkt als een essentieel kenmerk van de keten van zorgvraag tot zorgconsumptie (TK 2004-2005, 25657 en 26631, nr. 29, p. 6 en 12). Deze door de

regelgever uitdrukkelijk beoogde scheiding van taken en bevoegdheden, ter zake van de

indicatiestelling van zorg en de realisering van de aanspraak op geïndiceerde zorg, leidt de Raad tot het oordeel dat de aan appellant toevertrouwde belangen ter zake van de

verlening van PGB’s als zodanig niet rechtstreeks betrokken zijn bij het besluit tot

indicatiestelling van de zorg van een verzekerde. Naar het oordeel van de Raad zou het innemen van een ander standpunt over de aan appellant opgedragen taak betekenen dat de bevoegdheidsverdeling tussen het indicatie-orgaan en het zorgkantoor, zoals door de wetgever in de AWBZ is neergelegd, wordt doorkruist. Reeds op deze grond is de Raad van oordeel dat de belangen van ap-pellant niet rechtstreeks bij het besluit van

17 mei 2004 zijn betrokken. De rechtbank heeft dan ook terecht appellant niet als

belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb aangemerkt, het beroep tegen dat besluit ge-grond verklaard en het besluit van 27 januari 2006 vernietigd.

4.6. Nu CIZ op grond van de beoordeling in 4.5. niet tot een ander besluit kan komen dan de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van appellant, heeft de rechtbank ten onrechte CIZ opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank had aanleiding moeten zien om zelf in de zaak te voorzien als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. Op deze grond komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in

aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 mei 2004 niet-ontvankelijk.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 mei 2004 niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat CIZ aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 428,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert

en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) C. de Blaeij.

RB