Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9419

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-6747 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAJONG-uitkering met terugwerkende kracht. Geen sprake van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv bevoegd zou zijn de Wajong-uitkering van appellant met een verdere terugwerkende kracht dan een jaar toe te kennen. Onbekendheid met het bestaan van de mogelijkheid van het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan geen bijzonder geval opleveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6747 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 oktober 2007, 07/873 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Kroesbergen, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kroesbergen voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1983, heeft op 11 april 2006 een aanvraag om een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is aangegeven dat hij niet op de hoogte was van de mogelijkheid om een Wajong-uitkering aan te vragen.

2. Bij besluit van 2 oktober 2006 heeft het Uwv appellant ingaande 11 april 2005 een Wajong-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat in het geval van appellant geen sprake is van een bijzondere omstandigheid om de uitkering eerder te laten ingaan dan een jaar voor de datum van de aanvraag. De bezwaren van appellant tegen dit besluit richten zich op de ingangsdatum. Bij besluit van 22 februari 2007 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onbekendheid met de wetgeving levert naar het oordeel van de rechtbank onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad geen bijzonder geval in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Wajong op. Ook appellants standpunt dat zijn beperkte verstandelijke vermogen, er debet aan waren dat hij de mogelijkheid om een Wajong-uitkering aan te vragen niet kende, volgt de rechtbank niet. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 3 mei 2007 volgt dat de stoornissen van appellant (suikerziekte en lichte verstandelijke beperking) niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de te late aanvraag. Ondanks zijn licht afgenomen verstandelijk vermogen moet appellant volgens de bezwaarverzekeringsarts voldoende in staat zijn geweest om te weten dat hij bij arbeidsongeschiktheid een uitkering kon aanvragen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de bezwaarverzekeringsarts hierin niet te volgen. Dat appellant onvoldoende in staat is geweest de ernst van zijn situatie in te schatten, volgt de rechtbank evenmin. Uit eerdergenoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts is naar het oordeel van de rechtbank geenszins gebleken van onvoldoende ziektebesef bij appellant.

4. In hoger beroep persisteert appellant bij hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Appellant bestrijdt in hoger beroep met name het oordeel van de rechtbank dat hij zelf de weg naar Stichting MEE heeft gevonden. Namens appellant is er in dit verband op gewezen dat een leerplichtambtenaar appellant heeft doorgestuurd naar Stichting MEE. Het ontbreekt appellant aan de verstandelijke vermogens om in te zien wanneer hij hulp van derden moet inroepen. Het feit dat appellant vier jaar lang naar school is gestuurd is ten onrechte gezien als bewijs dat hij cognitief in staat was om vier jaar lang onderwijs te volgen. Appellant werd vanuit zijn omgeving en in het kader van de leerplicht bewogen om naar school te gaan. Appellant wijst er nogmaals op dat hij juist in het kader van de begeleiding die hij op school kreeg erop is gewezen dat hij door Stichting MEE een aanvraag om een uitkering kon laten indienen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en kan zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank daartoe heeft vastgesteld en overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in vorengenoemde bepaling, op grond waarvan het Uwv bevoegd zou zijn de Wajong-uitkering van appellant met een verdere terugwerkende kracht dan een jaar toe te kennen. Onbekendheid met het bestaan van de mogelijkheid van het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan naar vaste jurisprudentie van deze Raad geen bijzonder geval opleveren. Hetzelfde geldt voor een eventueel verzuim bij instanties als bijvoorbeeld school en hulpverlening om de aanvrager (eerder) op het bestaan van die mogelijkheid te wijzen.

5.3. Appellant benadrukt in hoger beroep dat een leerplichtambtenaar hem heeft doorgestuurd naar Stichting MEE. Dienaangaande merkt de Raad op dat uit het dossier blijkt dat appellant vanaf september 2000 tot juli 2004 een opleiding heeft gevolgd aan het ROC en dat hij op 1 maart 2006, nadat hij de school al geruime tijd had verlaten en diverse baantjes heeft gehad, bij Stichting MEE is aangemeld. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat hij juist in het kader van de begeleiding die hij op school kreeg erop zou zijn gewezen dat hij door Stichting MEE een aanvraag om een uitkering kon laten indienen, nu blijkt dat hij zich pas op 1 maart 2006 bij Stichting MEE heeft aangemeld en de school toen reeds had verlaten. De stelling dat appellant enkel op school aanwezig was in het kader van de leerplicht kan evenmin doel treffen. De Raad wijst er in dit verband op dat appellant reeds 17 jaar was toen hij aan zijn opleiding aan het ROC begon en derhalve niet meer leerplichtig was.

5.4. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL