Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
07-3948 WAO + 07-5546 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Rechtbank heeft besluit vernietigd wegens ontoereikende arbeidskundige grondslag.Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv een nieuw besluit genomen. Voldoende medische grondslag. De bij de geduide functies voorkomende signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn alsnog door de bezwaararbeidsdeskundige van een uitvoerig gemotiveerde, toereikende toelichting voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3948 WAO

07/5546 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 juni 2007, 06/2342 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.R. Lambooy, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een nieuw besluit op bezwaar van, 1 augustus 2007, met bijlagen ingezonden.

Bij brief van 14 januari 2009 heeft mr. Lambooy een nadere uiteenzetting ingezonden. Bij brief van 26 januari 2009, met bijlage, heeft het Uwv hierop een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 1 mei 2006 (hierna: bestreden besluit 1), voor zover van belang, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 november 2005 gegrond verklaard en de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, met ingang van 3 januari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische grondslag van bestreden besluit 1 onderschreven. Zij heeft daartoe overwogen dat de zich in het dossier bevindende medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts in twijfel te trekken. De rechtbank is van oordeel dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 3 januari 2006 in voldoende mate met haar beperkingen rekening is gehouden. Uit de door appellante overgelegde medische informatie kan naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie worden getrokken dat appellante op medisch te objectiveren gronden meer dan wel andere fysieke en/of psychische beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. In dat verband heeft de rechtbank erop gewezen dat blijkens diens rapport van 21 maart 2007 de bedrijfsarts Jonker zich kan verenigen met de voor appellante vastgestelde fysieke beperkingen. Met betrekking tot de voor appellante gestelde urenbeperking heeft de rechtbank overwogen dat deze in de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts toereikend is gemotiveerd. Dat bij de herbeoordeling in 2002 is uitgegaan van een lagere werkbelasting kan er niet toe leiden dat appellante ten tijde in geding niet in staat zou zijn tot het verrichten van werkzaamheden in de door de (bezwaar)verzekeringsarts voor haar haalbaar geachte arbeidsomvang.

2.2. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd vanwege een niet toereikende arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft geconstateerd dat gelet op de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716 en volgende) de onderhavige schatting niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. Uit de stukken valt onvoldoende af te leiden waarom het Uwv appellante, gelet op de markeringen die zijn geplaatst bij de voor haar ten behoeve van de onderhavige schatting geselecteerde functies, ondanks haar beperkingen, toch in staat acht de werkzaamheden behorend bij die functies te vervullen. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen.

2.3. Met het oog op de nadere besluitvorming door het Uwv heeft de rechtbank voorts overwogen dat er geen aanleiding is van het Uwv te verlangen de enquêteformulieren van de voor appellante geselecteerde functies over te leggen en dat van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen sprake is.

3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald het niet eens te zijn met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid en de vastgestelde urenbeperking, welke door de rechtbank zijn onderschreven. Verder heeft zij wederom aangevoerd dat zij inzage wenst in de enquêteformulieren van de geselecteerde functies en dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van bestreden besluit 1. Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van bestreden besluit 1. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectieve medische gegevens in geding gebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen, zoals die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 september 2005, welke FML in verband met een zogenoemde verborgen beperking op 28 december 2006 is aangepast. Naar aanleiding van hetgeen overigens door appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad dat hij, met de rechtbank, van oordeel is dat in de verzekeringsgeneeskundige adviezen die ten grondslag liggen aan bestreden besluit 1 toereikend is gemotiveerd dat, mede gelet op het dagverhaal, appellante ten tijde in geding belastbaar is voor ongeveer 30 uren energetisch

lichte arbeid en dat in vergelijking tot de beoordeling van de mate van arbeidsongeschikt-heid in 2002 er sprake is van een verbetering van haar belastbaarheid.

4.2. De Raad onderschrijft voorts het op vaste jurisprudentie van de Raad gestoelde oordeel van de rechtbank dat indien het uitvoeringsorgaan eenmaal de belasting die de werkzaamheden in een bepaalde functie met zich brengen, heeft vastgesteld, zowel de verzekerde als de toetsende instantie in beginsel ervan uit moeten kunnen gaan dat die weergave een juiste afspiegeling vormt van de in de betreffende functie werkelijk voorkomende belasting. De enkele stelling van appellante in hoger beroep dat de geselecteerde functie bezorger kranten (Sbc-code 111230) niet tijdig opnieuw zou zijn geënquêteerd, volstaat niet, reeds omdat deze stelling berust op een onjuiste lezing van het Resultaat Functiebeoordeling. Op dat formulier is vermeld dat actualisatie van deze functie heeft plaatsgevonden op 28 juni 2005.

4.3. De Raad is, gelet op de totale duur van de procedure vanaf de ontvangst bij het Uwv van het bezwaarschrift op 8 december 2005 tot aan de datum van deze uitspraak, van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.5. Het Uwv, berustend in de aangevallen uitspraak, heeft met het besluit van 1 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit 2) uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Met dit besluit heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante wederom vastgesteld op 55 tot 65%. De Raad stelt vast dat met bestreden besluit 2 niet tegemoet gekomen is aan het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1. Hieruit vloeit voort dat de Raad bestreden besluit 2, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond van artikel 6:24 van de Awb, in de procedure dient te betrekken. Dit betekent dat het beroep tegen bestreden besluit 1 geacht wordt mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

4.6. De Raad stelt allereerst vast dat het Uwv de in rubriek I vermelde brief van 26 januari 2009, met als bijlage een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van dezelfde datum, heeft ingediend binnen de termijn van tien dagen zoals vermeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb. De Raad heeft geen aanleiding gezien deze stukken buiten beschouwing te laten en overweegt daartoe als volgt. Mr. Lambooy heeft met haar in rubriek I vermeld schrijven van 14 januari 2009 namens appellante gereageerd op de bij bestreden besluit 2 gevoegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 juli 2007, dat op 26 september 2007 door de Raad is ontvangen en waarvan een afschrift op dezelfde dag door de Raad is doorgestuurd naar mr. Lambooy. Aan de Raad is niet gebleken dat mr. Lambooy niet op een eerder tijdstip haar reactie op bestreden besluit 2 had kunnen geven. Gelet op het tijdstip van inzending van deze reactie lag het in de rede dat van de zijde van het Uwv eerst binnen de termijn van artikel 8:58 van de Awb een schriftelijk commentaar kon worden verwacht. Het Uwv heeft de brief, met bijlagen, van 26 januari 2009 tevens rechtstreeks aan mr. Lambooy gezonden. Onder deze omstandigheden ziet de Raad uit de eisen van een goede procesorde geen belemmering om de betreffende stukken van het Uwv van 26 januari 2009 in zijn beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 2 te betrekken.

4.7. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportages van 16 juli 2007 en 26 januari 2009 naar voren heeft gebracht met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2. De bij de geduide functies voorkomende signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn alsnog door de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 16 juli 2007 van een uitvoerig gemotiveerde, toereikende toelichting voorzien. Naar aanleiding van de reactie van appellante van 14 januari 2009 heeft de bezwaararbeids-deskundige in het rapport van 26 januari 2009 nogmaals de signaleringen van de voor appellante geschikt geachte functies van een nadere toelichting voorzien. Deze toelichting wijkt evenwel niet noemenswaardig af van de eerder gegeven toelichting. Tot slot heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 26 januari 2009 genoegzaam toegelicht dat de aangebrachte correctie in de maatmanuren niet leidt tot een andere klasse-indeling.

4.8. De Raad is van oordeel dat het Uwv met bestreden besluit 2 op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. Het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 dient ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

MH