Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9370

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
06-3692 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum WUBO-uitkering. Ten aanzien van aanvraag in 1994, zijn er geen bijzondere omstandigheden die tot eerdere toekening leiden. Ten aanzien van aanvraag in februari 2003 (na werkbeëindiging, had verweerster, gezien doorwijsbeleid (erop gericht om aanvragers niet de dupe te laten worden van een verkeerde keuze) de ingangsdatum met terugwerkende kracht op die datum moeten bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3692 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 8 mei 2006, kenmerk BZ 6690 JZ/S60/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1943, is ingevolge een in augustus 1994 ingediende aanvraag bij besluit van 12 mei 1995, zoals na bezwaar gewijzigd bij besluit van 13 mei 1996, door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: de Rk WUV) vanwege onderduik als joods kind erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de WUV). Hierbij zijn de, op dat moment niet als invaliderend aangemerkte, psychosomatische rugklachten van appellant aanvaard als staande in verband met de ondergane vervolging; op basis van die klachten is toen een voorziening voor huishoudelijke hulp toegekend. Bij aanvraag van februari 2003 heeft appellant verzocht om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de WUV, welke aanvraag bij besluit van 15 oktober 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 januari 2004, door de Rk WUV is gehonoreerd. Het namens appellant tegen dit laatste besluit ingestelde beroep, de grondslag van de periodieke uitkering betreffende, is bij uitspraak van deze Raad van 23 juni 2005, nr. 04/1372 WUV, ongegrond verklaard.

1.2. Bij brief van 30 september 2004 is namens appellant aan de Rk WUV verzocht om, in aanmerking genomen dat nog geen specificatie van de WUV-uitkering was ontvangen en die uitkering wellicht niet tot uitbetaling zou komen, het daarheen te leiden dat de aanvraag van februari 2003 tevens zou worden behandeld als een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet. Hierop heeft de Pensioen- en Uitkeringsraad bij brief van 25 oktober 2004 geantwoord, samengevat, dat de aanvraag van februari 2003 naar zijn inhoud specifiek was gericht op de WUV en derhalve niet mede als aanvraag ingevolge de Wet kon worden aangemerkt. Vervolgens heeft verweerster, na ontvangst van een specifiek op de Wet gericht aanvraagformulier, de brief van appellant van 30 september 2004 als aanvraag om toepassing van de Wet in behandeling genomen, en op basis daarvan bij besluit van 1 juni 2005 ingaande 1 september 2004 de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en enkele voorzieningen toegekend. Namens appellant is hiertegen als bezwaar aangevoerd dat ingevolge het binnen de Pensioen- en Uitkeringsraad geldende, interne doorverwijzingsbeleid zijn aanvragen van 1994 en 2003 ambtshalve tevens als aanvragen ingevolge de Wet hadden dienen te worden aangemerkt en dat daarom de toeslag en voorzieningen met toepassing van artikel 40, tweede lid, van de Wet met terugwerkende kracht tot maximaal 1 augustus 1994 en op zijn minst tot 1 februari 2003 toegekend hadden moeten worden. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard onder overweging, kort gezegd, dat een doorverwijzing hier niet aan de orde kon komen nu de eerdere aanvragen van 1994 en 2003 met zeer goede reden specifiek op de toepassing van de WUV waren gericht.

1.3. In beroep hebben partijen hun in de bezwaarprocedure ingenomen standpunten onder uitvoerige motivering gehandhaafd.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd om in afwijking van het bepaalde in het eerste lid de toekenning van een uitkering of voorziening ingaande een eerdere datum dan de eerste dag van de maand van aanvraag toe te kennen, indien zij, rekening houdend met alle omstandigheden, een dergelijke afwijking in een individueel geval noodzakelijk acht.

2.2. Vooropgesteld wordt dat ook de Raad op grond van de voorhanden stukken niet anders kan concluderen dan dat de aanvraag van appellant van augustus 1994 voormeld specifiek was gericht op de toepassing van de WUV. Weliswaar is, zoals namens appellant betoogd, in het in augustus 1994 ingediende algemene aanvraagformulier uit de verschillende mogelijkheden niet een bepaalde wet aangekruist, maar in het kort daarna over die aanvraag opgemaakte Sociaal Rapport is duidelijk aangeven dat erkenning als vervolgde vanwege onderduik als joods kind wordt beoogd. Nu voorts ook van enig voornemen om te stoppen met werken en/of van invalidering geen sprake bleek, bestaat hoe dan ook geen grondslag voor het oordeel dat de Rk WUV en/of de Pensioen- en Uitkeringsraad als overkoepelende organisatie verwijtbaar te kort zijn geschoten door de ingediende aanvraag niet mede als aanvraag ingevolge de Wet in behandeling te laten nemen. Op grond hiervan concludeert de Raad dat niet achteraf kan worden gezegd dat deze aanvraag mede als aanvraag ingevolge de Wet aangemerkt had moeten worden. Derhalve is op dit punt geen sprake van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van artikel 40, tweede lid, van de Wet aanleiding zouden kunnen geven.

2.3. De Raad oordeelt anders over de aanvraag van februari 2003. Nu hierbij blijkens de gedingstukken uitdrukkelijk wel sprake was van werkbeëindiging en het daarom aanvragen van een uitkering, had het op de weg van de Rk WUV of de Pensioen- en Uitkeringsraad gelegen om het daarheen te leiden dat zou worden bezien of - nu onderduik vanwege anti-joodse maatregelen van de Duitse bezetter evident mede valt onder het bereik van de Wet - toepassing van de Wet wellicht gunstiger zou zijn dan toepassing van de WUV, ook al was bij de aanvraag uitsluitend gerefereerd aan de WUV. Nu dit is nagelaten, en het beleid van de Pensioen- en Uitkeringsraad en de daaraan verbonden Raadkamers die zijn aangewezen voor de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen er blijkens de gedingstukken, terecht, op is gericht om aanvragers niet de dupe te laten worden van een verkeerde keuze, acht de Raad hier wel bijzondere redenen aanwezig voor toepassing van artikel 40, tweede lid, van de Wet. Nu voorts op grond van de stukken buiten twijfel is dat appellant ook ingaande 1 februari 2003 voldeed aan de medische voorwaarden voor toekenning van de toeslag en de voorzieningen, had verweerster de ingangsdatum met terugwerkende kracht op die datum moeten bepalen.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering en daarom, wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet in rechte kan standhouden. De Raad ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de ingangsdatum van de toegekende toeslag en voorzieningen te bepalen op 1 februari 2003.

4. De Raad acht ten slotte termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar en beroep tot een totaalbedrag van € 1.367,16, bestaande uit kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.288,- reiskosten van appellant ten bedrage van € 12,64 en de (naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs gemaakte) kosten van een door hem ter zitting meegebrachte doventolk tot een bedrag van € 66,52.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit voorzover betreffende de ingangsdatum van de aan appellant toegekende toeslag en voorzieningen;

Bepaalt dat appellant met ingang van 1 februari 2003 recht heeft op de bij het bestreden besluit toegekende toeslag en voorzieningen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.367,16, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD