Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
08-924 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing hernieuwde aanvraag WUBO-uitkering en -voorziening. ingediend op grond van verergering van zijn psychische klachten. Causaal verband? Oorlogstrauma’s van de Japanse bezettingstijd en van de Bersiap-periode. Voldoende medisch onderzoek. Geen sprake van blijvende invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/924 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 december 2007, kenmerk BZ 7708, JZ/D70/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009. Appellant is verschenen, samen met zijn gemachtigde R. Dagevos, en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 1990 een aanvraag bij verweerster ingediend om te worden erkend als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering en vergoeding van een gebitsprothese. Appellant heeft zijn aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Verweerster heeft hierop afwijzend beslist bij besluit van 29 maart 1991, op de grond dat niet was gebleken dat bij appellant sprake is van lichamelijk of psychisch letsel, leidend tot blijvende invaliditeit, ten gevolge van de internering in de Bersiap-periode in de kampen Brankal en Dinojo en het kamp te Solo, in de zin van de Wet. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.3. Appellant heeft bij verweerster in oktober 1996 een verzoek om herziening van het besluit van 29 maart 1991 ingediend. Evenals het eerder genoemde verzoek is ook dit verzoek ter advisering voorgelegd aan de geneeskundig adviseur van verweerster. Deze heeft na (her)bestudering van de aanwezige gegevens in zijn advies te kennen gegeven dat er ook thans geen sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit als gevolg van de hem overkomen oorlogsgebeurtenissen. De geneeskundig adviseur gaf te kennen dat de psychische klachten van appellant weliswaar gedeeltelijk het gevolg zijn van het oorlogsgebeuren maar dat zij niet hebben geleid tot een blijvende invaliditeit in de zin van de Wet, inhoudende een invaliditeit van (toen) ten minste 10%. Verweerster heeft in het voetspoor van haar geneeskundig adviseur afwijzend beslist bij besluit van 4 maart 1997 op de grond dat er geen reden was om het besluit van 29 maart 1991 te herzien. Ook tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.4. Namens appellant heeft K. Visser bij verweerster op 9 maart 2006 een hernieuwde aanvraag ingediend op grond van verergering van zijn psychische klachten.

1.5. Verweerster heeft hierop bij besluit van 6 maart 2007 afwijzend beslist. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. De Raad moet de vraag beantwoorden of dit besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte stand houdt.

2.1. Ter beoordeling van de onderhavige aanvraag is een nieuw sociaal rapport opgemaakt en werden de medische gegevens van de arts H.P.J. Bonarius en van de medisch adviseur van CAOR, A.S.E.P. Textor, betrekking hebbend op een afgewezen AOR-aanvraag, in 2005 opgevraagd.

2.2.1. Verweerster heeft vervolgens aanleiding gezien appellant te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door de arts G.M. van der Molen die tot de conclusie is gekomen dat strikt ten gevolge van de geverifieerde calamiteiten er geen sprake is van causaal psychisch en/of lichamelijk letsel dat geleid heeft tot blijvende invaliditeit, waarbij rekening is gehouden met toepassing van het zogenoemde SOT-beleid.

2.2.2. De geneeskundig adviseur bij de Pensioen- en Uitkeringsraad, de arts A.J. Maas is in zijn advies van 30 januari 2007 tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van psychisch en/of somatisch letsel ten gevolge van de geverifieerde oorlogscalamiteiten, ook als rekening wordt gehouden met sequentiële oorlogstraumatisering, dat blijvende invaliditeit tot gevolg heeft. Hij concludeert voorts dat het gemis van vader als gevolg van diens overlijden in oorlogstijd, bij appellant nooit helemaal is verwerkt maar dat de rechtens relevante gebeurtenissen en de gevolgen daarvan vrijwel geen beperkingen op de gebruikelijke vier beoordelingsassen tot gevolg hebben gehad.

2.3. In bezwaar tegen het primaire besluit is namens appellant aangevoerd dat hij door zijn psychische klachten te verdringen de geneeskundig adviseur te oppervlakkig en onvoldoende heeft geïnformeerd over zijn kwalen. Appellant zou vermeden hebben veel van zijn oorlogstrauma’s van de Japanse bezettingstijd en van de Bersiap-periode ter sprake te brengen.

2.4. Verweerster heeft hierop medisch advies gevraagd aan haar geneeskundig adviseur A.M. Koop. In haar medisch advies van 9 oktober 2007 komt deze arts tot de conclusie dat uit de beschikbare gegevens wordt afgeleid dat er weliswaar toegenomen psychische klachten zijn maar dat deze nog immer niet invaliderend tot uiting zijn gekomen. In 2006 is vastgesteld dat er bij appellant sprake is van een dysthyme stoornis, waarbij op de voorgrond staan de zeer slechte start als jong kind, het overlijden van zijn vader, de opvang door zijn tantes en de niet-verwerkte rouw met betrekking tot zijn moeder. De geverifieerde oorlogscalamiteiten zijn daarbij vergeleken op de achtergrond gebleven. De nieuw ingebrachte klachten zijn alle globaal in de medische verslagen beschreven. Vastgesteld is dat er voldoende actuele medische gegevens aanwezig zijn en dat een psychiatrische expertise niet aangewezen is.

2.5. Bij het bestreden besluit is in navolging van het advies van de geneeskundig adviseur het standpunt ingenomen dat de psychische klachten van appellant weliswaar zijn toegenomen, maar dat deze klachten niet invaliderend tot uiting zijn gekomen. Er is bij appellant sprake van een milde vorm van depressie (dysthyme stoornis). Er is geen sprake van blijvende invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld.

2.6. De Raad ziet gelet op de beschikbare medische informatie geen aanleiding om verweerster in dit standpunt niet te volgen. Verweerster heeft na grondig medisch onderzoek en op basis van de vele medische adviezen, inclusief de adviezen in het kader van een aanvraag bij de CAOR, gemotiveerd vastgesteld dat er bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld in de zin van de Wet. De Raad acht met name door de geneeskundig adviseur genoegzaam inzichtelijk gemaakt dat er bij appellant weliswaar sprake is van toegenomen psychische klachten, maar dat deze klachten niet het niveau bereiken van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellant meerdere malen medisch is onderzocht, waaronder onderzoek ten huize van appellant. Van doorslaggevende aard oordeelt de Raad dat aanvankelijk geen diagnose werd gesteld ten aanzien van de psychische klachten. In het rapport van de arts Laatsch van januari 1997 werd op As I de diagnose kenmerk van een PTSS gesteld, welke diagnose in de latere rapportage van de arts Van der Molen terugkomt. Vanaf 2006 wordt daarnaast op As I een dysthymie gediag-nosticeerd en op As II kenmerken van een vermijdende persoonlijkheid en in de rapportages voor de AOR wordt dezelfde diagnose gesteld. De verschillende geneeskundig adviseurs zijn het er over eens dat de genoemde life-events de oorlogservaringen van appellant daarbij vergeleken op de achtergrond hebben doen blijven.

2.7. De Raad is met verweerster van oordeel dat de geneeskundig adviseurs met de voornoemde rapportages samen met de gegevens van de huisarts over voldoende gegevens beschikten om tot een gefundeerd advies te kunnen geraken, zodat nadere expertise achterwege gelaten kon worden. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de hem door verweerster geboden gelegenheid zelf een zodanige expertise te laten instellen.

Er zijn overigens geen medische of andere gegevens ingebracht die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

3. Gezien het vorenstaande moet het beroep van appellant ongegrond worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD