Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
08-2013 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag WUBO-uitkering in verband met verergering klachten afgewezen. Volgens appellant is deze verergering gelegen in de oorlogsomstandigheden. Voldoende medisch onderzoek. Blijkens zijn rapport heeft de keurend psychiater het geheel van de bij appellant aanwezige psychopathologie beoordeeld en daarbij ook het geheel van de oorlogservaringen van appellant in aanmerking genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2013 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 29 februari 2008, kenmerk BZ 7750, JZ/F70/2008, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift doen indienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009. Aldaar is appellant verschenen bij gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 1999 bij verweerster een aanvraag om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet ingediend. In dit kader heeft appellant aangevoerd dat hij gezondheids-klachten heeft die in verband staan met zijn internering in diverse kampen in de naoorlogse periode van gewelddadigheden in het voormalige Nederlands-Indië.

1.1. Deze aanvraag van appellant heeft verweerster afgewezen bij besluit van 31 juli 2000, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2001. Verweerster heeft daarbij overwogen dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet, maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet geldende voorwaarde dat hij daarbij tot blijvende invaliditeit leidend letsel heeft opgelopen. Blijkens de aan dit besluit ten grondslag liggende medische adviezen heeft verweerster zich daarbij op het standpunt gesteld dat noch eisers nierklachten, noch zijn psychische klachten met de oorlogservaringen verband houden.

1.2. Bij uitspraak van deze Raad van 29 augustus 2002, nummer 01/3831 WUBO, is het door appellant tegen laatst genoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. In september 2006 is namens appellant andermaal een aanvraag ingediend om toekenning van onder meer een periodieke uitkering op grond van de Wet. Bij deze aanvraag is gesteld dat bij appellant sprake is van een verergering van zijn psychische klachten en dat de oorzaak van deze verergering is gelegen in de oorlogsomstandigheden.

2.1. Naar aanleiding van deze aanvraag is appellant onderworpen aan een geneeskundig onderzoek door verweersters geneeskundig adviseur G. Kho, die op basis van eigen onderzoek alsmede van onderzoeken die bij appellant zijn verricht in verband met de uitvoering van de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië heeft geoordeeld dat de bij appellant aanwezige psychische klachten inderdaad zijn toegenomen maar niet van aard zijn veranderd en derhalve niet met de oorlogservaringen in verband kunnen worden gebracht. Verweerster heeft dit standpunt van haar geneeskundig adviseur gevolgd en de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 23 april 2007 op de grond - kort weergegeven - dat er bij appellant geen sprake is van met zijn oorlogservaringen in verband staande psychische klachten.

2.2.1. Een namens appellant ingediend bezwaar tegen dit besluit van verweerster is aanleiding geweest hem te onderwerpen aan een medisch onderzoek door psychiater H.S.R. Witte, die op 22 januari 2008 omtrent zijn bevindingen heeft gerapporteerd. Blijkens het door deze deskundige uitgebrachte rapport is bij appellant sprake van een gegeneraliseerde angststoornis, die bestaat op grond van karaktereigenschappen in combinatie met zijn specifieke levensloop met tehuisverledens, het ontwikkelen van een chronische (nier-) ziekte, met het verlies van een getransplanteerde nier en een tweede transplantatie. De karaktereigenschappen, afhankelijk/vermijdend, zijn ontwikkeld op grond van de specifieke non-causale gezinsomstandigheden met plaatsing in een tehuis, het vrij jong moeten missen van moeder met een moeizame relatie met vader, in feite is appellant een aantal keren aan zijn lot overgelaten, alleen gerepatrieerd en daarnaast spelen een rol culturele aspecten en discriminatoire tendensen in de jaren ’50 en ’60 in Nederland. Een relatie met de oorlogsomstandigheden is naar het oordeel van deze psychiater niet aanwezig.

2.2.2. In overeenstemming met het op dit rapport gebaseerde advies van verweersters geneeskundig adviseur heeft verweerster bij het thans bestreden besluit haar eerder ingenomen standpunt gehandhaafd en het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

3. De Raad heeft, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

3.1. De Raad oordeelt het bestreden besluit met de hiervoor genoemde medische onderzoeken en de daarop gebaseerde geneeskundige adviezen naar behoren voorbereid en deugdelijk onderbouwd. In de gedingstukken van medische aard heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om het standpunt dat verweerster op basis van deze adviezen heeft ingenomen, onjuist te achten.

3.1.1. Van de zijde van appellant is aangevoerd dat psychiater Witte ook de internering van appellant plaatst onder de omstandigheden die zijn karakteropbouw tot stand hebben gebracht. Om die reden had verweerster naar de opvatting van appellant (althans een deel van de) psychische klachten van appellant als gevolg van de oorlogsomstandigheden moeten aanmerken. De Raad kan appellant in deze opvatting niet volgen. Naar het oordeel van de Raad ziet appellant in dit geval voorbij aan de heldere en slechts voor één uitleg vatbare conclusies van deze psychiater, waarbij deze het aandeel van de oorlogs-calamiteiten in de psychopathologie van appellant zeer gering tot verwaarloosbaar heeft geacht.

3.2. Met de gemachtigde van appellant is de Raad van oordeel dat verweerster in een onderzoeksopdracht aan een psychiater alle omstandigheden behoort te vermelden die bij de beoordeling betrokken dienen te worden, ook die omstandigheden die moeten worden meegewogen in het kader van het door verweerster bij jeugdige oorlogsgetroffenen gehanteerde beleid van sequentiële oorlogstraumatisering. Dat dit laatste in het geval van appellant niet is gebeurd, behoeft naar het oordeel van de Raad onder de gegeven omstandigheden echter niet te leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Blijkens zijn rapport heeft de keurend psychiater het geheel van de bij appellant aanwezige psychopathologie beoordeeld en daarbij ook het geheel van de oorlogservaringen van appellant in aanmerking genomen.

3.3. Het beroep van appellant moet gezien het vorenstaande ongegrond verklaard worden.

4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD