Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
07-2538 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reikwijdte artikel 18, lid 2 WAO.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2538 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 19 maart 2007, 06/4895 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.K. Wouterse, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Daartoe door de Raad in de gelegenheid gesteld heeft de voormalige werkneemster van appellante, [werkneemster] (hierna: werkneemster), op 20 mei 2007 meegedeeld niet als partij aan het onderhavige geding te willen deelnemen en geen toestemming te geven om haar medische gegevens aan appellante ter kennisname te brengen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009.

Namens appellante is haar gemachtigde, voornoemd, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Werkneemster was sinds 10 september 2002 in dienst van appellante werkzaam als verkoopster dameskleding gedurende 16 uur per week toen zij zich met ingang van 27 juni 2003 ziek meldde met lichamelijke en psychische klachten.

1.2. De arts I. Sevinc heeft de werkneemster in het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 26 mei 2004 onderzocht. Tevens beschikte hij over informatie van 29 november 2003 van de huisarts. In het rapport van zijn onderzoek van 4 juni 2004 vermeldde Sevinc dat volgens werkneemster haar knieklachten in maart 2003 zodanig verergerden dat zij haar eigen werk niet meer kon uitvoeren. Voorts gaf Sevinc haar reeds bestaande rug- en nekklachten weer, alsmede de bevindingen van het lichamelijk en psychisch onderzoek. Zijn conclusie was dat werkneemster aangewezen was op nek- en rugsparend werk in een weinig stresserende omgeving. Sevinc vermeldde ten slotte onder verwijzing naar artikel 18, tweede lid, van de WAO dat, nu werkneemster bij aanvang van de verzekering op grond van het dienstverband bij appellante al bekend was met klachten en beperkingen, in dit geval een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) bij aanvang van de verzekering en een FML bij het einde van de wachttijd dienden te worden opgesteld. Het verschil in deze lijsten was met name dat in de FML bij einde wachttijd ook beperkingen in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren), als mede een urenbeperking tot ongeveer 20 uur per week en 6 uur per dag in aanmerking waren genomen. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek op 30 augustus 2004 vastgesteld dat er om reden van de combinatie van teveel lichamelijke beperkingen met de beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren toen onvoldoende functies konden worden geduid. Dit leidde tot het besluit van 30 augustus 2004 waarbij aan werkneemster met ingang van 25 juni 2004 een volledige WAO-uitkering werd toegekend.

2.1. In de voortgezette bezwaarprocedure naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 10 januari 2006 in een eerdere beoepsprocedure inzake de onderhavige schatting, verwees de gemachtigde van appellante naar een rapport van de adviserend verzekeringsarts J.M.W.N. Derks van 3 april 2006. Derks gaf, samengevat weergegeven, aan dat werkneemster bij aanvang van de verzekering al geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Voorts leidde Derks uit de conclusies van Sevinc af dat er volgens deze arts op fysiek gebied geen wijziging in de belastbaarheid van werkneemster was opgetreden, waarmee Derks wel kon instemmen. Ten slotte gaf hij aan waarom hij niet kon instemmen met het opnemen in de FML bij einde wachttijd van psychische beperkingen en een urenbeperking.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts V.K. Ramautar gaf in een rapport van 25 april 2006 aan dat op een door hem gestelde vraag Sevinc te kennen gaf dat de urenbeperking was gesteld uit preventief oogpunt vanwege de combinatie van psychische klachten en de zware pijnmedicatie. Voorts gaf Ramautar aan dat bij het arbeidskundig onderzoek in de bezwaarprocedure een uitdrukkelijke uitspraak moest worden gedaan over toepassing van de uitsluitingsartikelen in de WAO.

2.3. De bezwaararbeidskundige J.A.M. Snijders zag geen aanleiding voor het buiten aanmerking laten van algehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering onderscheidenlijk arbeidsongeschiktheid die binnen een half jaar na aanvang van de verzekering is ontstaan en te verwachten was met toepassing van artikel 30, eerste lid, onder a respectievelijk onder b van de WAO. Hiervoor was volgens Snijders voldoende dat werkneemster gedurende acht maanden naar behoren heeft gefunctioneerd. Voor toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WAO, dat betrekking heeft op gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering zag Snijders ook geen ruimte om reden dat werkneemster in deeltijd werkte en dit werk lange tijd daadwerkelijk heeft gedaan.

2.4. Het Uwv verklaarde vervolgens onder verwijzing naar de in 2.2 en 2.3 vermelde rapporten van Ramautar en Snijders het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2004 bij besluit van 2 mei 2006 ongegrond.

3.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 2 mei 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

3.2. De rechtbank overwoog dat zij op grond van de tekst van artikel 18, tweede lid, van de WAO en de bijzondere regeling van artikel 30, eerste lid, onder a, van de WAO appellante niet kon volgen in het namens haar ter zitting betrokken standpunt dat dit artikellid toepassing op een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering niet uitsloot. Voorts oordeelde de rechtbank onder verwijzing naar de Beleidsregels buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid (Uwv-besluit van 1 juni 2004, Stcrt 2004,115, in werking getreden op 23 juni 2004) dat het niet toepassing geven door het Uwv bij het bestreden besluit aan artikel 30, eerste lid, onder a, van de WAO rechtens niet onjuist was.

4. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in eerdere fasen van de procedure reeds uitgebreid toegelichte gronden en argumenten in essentie herhaald.

5.1. De Raad stemt in met hetgeen de rechtbank heeft overwogen inzake de reikwijdte van artikel 18, tweede lid, van de WAO. De op zich duidelijke tekst van dit artikellid kan naar het oordeel van de Raad niet anders begrepen worden dan alleen betrekking te hebben op een persoon die bij de aanvang van zijn verzekering reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt was in de zin van het eerste lid van dit artikel.

5.2. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dienen echter om de volgende redenen te worden vernietigd.

5.2.1. De Raad stelt vast dat het Uwv bij de beoordeling of in dit geval artikel 18, tweede lid, van de WAO diende te worden toegepast, niet kon volstaan met het opstellen van een FML bij aanvang verzekering en een FML bij einde wachttijd. Tevens had – in lijn met hetgeen is geoordeeld in de uitspraak van de Raad van 2 juli 2007 (LJN BA8937) – onderzocht moeten worden welke functies in een situatie als de onderhavige, waarin de FML bij einde wachttijd was aangescherpt ten opzichte van de FML bij aanvang van de verzekering, de werkneemster op beide data had kunnen vervullen en wat zij daarmee had kunnen verdienen. Vervolgens had een vergelijking dienen te worden gemaakt van die verdiensten op beide data om de mate van arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering en de eventuele toename bij einde van de wachttijd te kunnen bepalen. In het onderhavige geval heeft het Uwv echter volstaan met een arbeidskundig onderzoek voor de situatie in aansluiting op het volmaken van de wachttijd.

5.2.2. De Raad heeft voorts in het bestreden besluit geen standpuntbepaling van het Uwv aangetroffen omtrent de namens appellante opgeworpen vraag of de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van werkneemster niet reeds was gelegen op een eerdere dag dan 10 september 2002, de dag dat haar verzekering ingevolge de WAO aanving door de ingangsdatum van haar dienstverband met appellante. Voor een dergelijke standpuntbepaling was naar het oordeel van de Raad te meer aanleiding nu uit onder andere het arbeidskundig rapport van 30 augustus 2004 naar voren is gekomen, dat werkneemster van 1992 tot maart 2000 als zelfstandige werkzaam was in een stoffenwinkel gedurende zes dagen per week en dat zij deze werkzaamheden als gevolg van nek- en rugklachten heeft gestaakt.

5.3. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.2.1 en 5.2.2 moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en om die reden ook ondeugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.4. De Raad overweegt ten slotte nog dat hij, voorzover het Uwv bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tot de slotsom komt dat in dit geval geen sprake is van een in de tijd eerder gelegen eerste arbeidsongeschiktheidsdag maar dat werkneemster wel reeds bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was, op basis van de thans beschikbare gegevens niet tot het oordeel komt dat het Uwv alsdan niet in redelijkheid overeenkomstig het in overweging 3.2 vermelde beleid zal hebben kunnen afzien van gebruikmaking van de hem toekomende bevoegdheid om op de voet van artikel 30, eerste lid, onder a, van de WAO de bij aanvang van de verzekering bestaande volledige arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten. De Raad acht in dit verband van belang dat in het arbeidskundig rapport van 30 augustus 2004 is vermeld dat telefonisch contact met een functionaris van appellante leerde dat werkneemster bij haar sollicitatie helder had aangegeven dat zij in het verleden rug- en nekklachten had, dat het toen goed met haar ging en dat zij graag wilde werken in een deeltijdbaan. Gelet hierop had appellante reeds bij aanvang van de verzekering zich rekenschap kunnen geven van de mogelijkheid dat sprake zou kunnen zijn van toename van deze klachten tijdens het dienstverband.

6.1. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

6.2. De Raad tekent bij overweging 6.1 aan geen aanleiding te zien tot het vergoeden van de ter zitting van de rechtbank overgelegde nota van 6 april 2006 ten bedrage van € 445,50. Dit bedrag ziet kennelijk op in de bezwaarprocedure ten behoeve van het bezwaar van appellante verrichte werkzaamheden door de medisch adviseur J.M.W.N. Derks. Uit de gedingstukken valt echter niet op te maken dat vergoeding van deze kosten reeds, zoals artikel 7:15, derder lid, van de Awb voorschrijft, in de bezwaarfase is gevorderd. Een nota betreffende het rapport van Derks van 8 februari 2007 heeft de Raad bij het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank niet aangetroffen. Voor een vergoeding van verletkosten van Derks in eerste aanleg ziet de Raad reeds geen aanleiding, nu deze niet zijn gespecificeerd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 709,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

KR