Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9161

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
08-3061 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Voldoende medische grondslag. De medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid zijn niet onderschat. Voldoende gemotiveerd en toegelicht waarom de geselecteerde functies als passend zijn aan te merken voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3061 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 april 2008, 07/2790 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.W.C. Lipman, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Appellante heeft zich per 26 januari 2004 ziek gemeld. Bij besluit van 16 september 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 april 2005, heeft het Uwv bepaald dat er naar aanleiding van deze ziekmelding een wachttijd geldt van 104 weken. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2007 (05/1654) heeft het Uwv bij besluit van 12 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2004 gegrond verklaard en appellante met ingang van 23 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid door de bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers – die door de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz in de rapportage van 20 september 2007 zijn onderschreven – niet zijn onderschat. Daarbij heeft de rechtbank aangetekend dat het onderzoek van Stammers voldoende zorgvuldig is verricht. Uit het rapport van Stammers blijkt dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 16 mei 2007 mede vanwege de hormonale ontregeling een urenbeperking is aangenomen. Tevens zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van de rubrieken fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische handelingen, onder meer vanwege een discopathie L4-L5 en L5-S1. De rechtbank is eiseres dan ook niet gevolgd in haar stelling dat haar rugklachten en hormonale problematiek niet in de beoordeling zijn meegenomen. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd die aan de conclusies van beide bezwaarverzekeringsartsen doet twijfelen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 14 juni 2007 voldoende heeft toegelicht en gemotiveerd waarom de geselecteerde functies als passend zijn aan te merken voor appellante.

3. De Raad stelt vast dat hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd neerkomt op een herhaling van grieven. De Raad heeft daarin geen aanleiding kunnen vinden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen. Ten aanzien van de zorgvuldigheid van het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Stammers tekent de Raad nog aan dat deze arts, zoals blijkt uit de rapportage van 21 mei 2007, de informatie van de huisarts van 30 augustus 2000, de neuroloog van 2 oktober 2000, de revalidatiearts van

20 november 2001, de psychosomatisch fysiotherapeut van 8 januari 2004 en de anesthesioloog van 7 juli 2004 bij zijn beoordeling heeft meegewogen. Gelet op het vorenstaande kan de Raad zich met de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank volledig verenigen en maakt hij die overwegingen en dat oordeel tot de zijne.

4. Hetgeen onder 3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op juiste gronden appellante met ingang van 23 februari 2004 een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, heeft toegekend. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

MH